“Warehousing”: btw-plaatsbepalingsregels tijdelijk gewijzigd

Share |

Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de VAT Package verscheen begin dit jaar een circulaire waarin de btw-administratie haar standpunt meedeelde inzake de btw-lokalisatieregels bij opslag van goederen. In de regel wordt deze dienst gelokaliseerd daar waar het onroerend goed gelegen is. Een nuance werd enkel aangebracht bij de facturering van globale diensten (tegelijk factureren van goederenvervoer, diensten samenhangend met goederenvervoer en opslag van goederen), wanneer het goederenvervoer het hoofdvoorwerp vormde van de tussen de partijen gesloten overeenkomst, terwijl de andere gefactureerde diensten niet anders kunnen worden aanzien dan als modaliteiten van dit vervoer. Alsdan diende deze dienst voor haar geheel te worden aanzien als een goederenvervoer dat overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek wordt gelokaliseerd daar waar de ontvanger van de dienst gevestigd is.

 

Verschillende EU-Lidstaten hebben een minder strikt standpunt dan dat van de Belgische btw-administratie en maken een onderscheid tussen passieve terbeschikkingstelling van opslagruimte en actieve exploitatie inzake het verrichten van opslagdiensten (zogenaamde contracten van "warehousing"). Deze laatste categorie zou in deze lidstaten, in tegenstelling tot het Belgische standpunt, wel onder het algemene lokalisatiecriterium vallen (plaats waar de afnemer gevestigd is). De verschillende btw-behandeling inzake "warehousing" tussen EU-Lidstaten kan daardoor leiden tot dubbele belasting of niet-belasting.

 

In haar antwoord op een parlementaire vraag betreffende deze interpretatieverschillen heeft de minister nu laten weten dat deze problematiek verder zal worden onderzocht door het btw-comité op Europees niveau en dat ondertussen, om concurrentieverstoring te vermijden, tijdelijk de algemene plaatsbepalingsregels worden toegelaten bij dergelijke contracten van "warehousing".

 
© BDO 2010   | Disclaimer