• Drie methodes voor btw-aftrek op bedrijfswagens

Drie methodes voor btw-aftrek op bedrijfswagens

31 december 2015

De regels die per 1 januari 2011 werden ingevoerd voor het bepalen van de aftrek van btw op bedrijfsmiddelen die ook voor privédoeleinden worden aangewend, werden verduidelijkt in verschillende administratieve beslissingen.

De tot op heden gepubliceerde beslissingen werden vervolgens gebundeld in de Circulaire nr. 36/2015 (nr. E.T.119.650) van 23 november 2015. Hoewel deze circulaire fundamenteel niets wijzigt aan de principes of aan de berekeningsmethodes voor het recht op aftrek voor bedrijfswagens, brengt deze verduidelijking van de bestaande regels, voorziet in bijkomende  administratieve toleranties en worden er eveneens enkele nieuwe voorwaarden ingevoerd.

We zetten de btw-aftrekmethodes voor bedrijfswagens waarvoor er geen werknemersbijdrage wordt betaald, kort op een rij.

Drie methodes voor bedrijfswagens*

Methode 1: werkelijk professioneel gebruik 

Totaal aantal km – woon-werk verkeer (x2) – privé km x 100 = percentage btw-aftrek

                           Totaal aantal km op jaarbasis

 

Methode 2: semi-forfaitaire methode

Het aantal werkdagen en aantal privékilometers worden forfaitair vastgelegd door de btw-administratie.

1 – [(200 dagen x woon-werk x 2) + forfait van 6.000 privé-km] x 100 = percentage btw-aftrek

                      Totaal aantal km op jaarbasis

 

Methode 3: forfaitaire methode

De aftrek is beperkt tot een forfaitair bedrag van 35% (i.e. 65% van de btw op de wagenkosten zijn niet aftrekbaar).

Specificaties

  • De aftrek kan nooit hoger zijn dan 50% (met uitzondering van lichte vrachtwagens), ook al is het beroepsgebruik groter dan 50%;
  • Methode 1 en 2 zijn combineerbaar (keuze per individuele wagen);
  • Voor methode 1 werd een administratieve tolerantie ingevoerd waardoor voor werknemers met wie een arbeidsovereenkomst van handelsvertegenwoordiging werd afgesloten, een beroepsmatig gebruik van 50% wordt aanvaard zonder dat dit moet gestaafd worden aan de hand van een rittenadministratie;
  • Voor methode 2 gelden drie cumulatieve toepassingsvoorwaarden:
    1. er is één vaste gebruiker van het voertuig. Methode 2 kan NIET toegepast worden voor bijv. poolwagens gebruikt door meerdere personen;
    2. Er is één voertuig per gebruiker, zo niet kan methode 2 slechts ten aanzien van één van deze voertuigen worden toegepast;
    3. Het voertuig moet effectief als werkinstrument of exploitatiemiddel worden aangewend. Indien het voertuig wordt ter beschikking gesteld in het kader van het loonbeleid, gaat de administratie er echter van uit dat aan deze voorwaarde is voldaan.
  • Ook voor methode 3 gelden drie cumulatieve toepassingsvoorwaarden:
    1. deze aftrekmethode moet toegepast worden op alle voertuigen;
    2. Er is één voertuig per gebruiker. Voor de andere voertuigen die aan één zelfde gebruiker ter beschikking worden gesteld, moet methode 1 worden toegepast;
    3. Het voertuig moet effectief als werkinstrument of exploitatiemiddel worden aangewend (cf. hierboven).

Voor wagens in eigendom geldt een correctie van de aftrek van btw op de initiële aankoopprijs voor maximum 5 jaar. Voor oudere wagens dient bijgevolg vanaf het zesde jaar geen herziening meer te moeten worden gedaan, rekening houdende met de aankoopprijs. Uiteraard wordt het recht op aftrek wel nog beperkt, a rato van het privégebruik, ten aanzien van de lopende kosten.

 

Woon-werkverkeer = naar de “zetel van de werkgever”

“woon-werkverkeer” is naar administratief standpunt het traject dat de gebruiker van een vervoermiddel aflegt tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling (bv. een werknemer) of de plaats waar of van waaruit hij zijn economische activiteit uitoefent (bv. een belastingplichtige natuurlijke persoon). Wie zich steeds rechtstreeks van zijn/haar woonplaats naar een klant/leverancier, dienstverrichter verplaatst, heeft bijgevolg geen woon-werkverkeer voor zover er sprake is van onafhankelijke personen. In dit verband geeft de btw-administratie aan dat de “40-dagenregel” voor de vaststelling van de vaste plaats van tewerkstelling voor directe belastingen, niet van toepassing is.

Werknemers die in de loop van het jaar verhuizen of toegewezen worden aan een andere zetel/kantoor, dienen hun woon-werkverkeer in principe te prorateren. Op het einde van het jaar kan de onderneming eventueel het aftrekpercentage individueel of per vloot corrigeren.

De administratie reikt ook enkele specifieke toepassingsgevallen en administratieve toleranties aan voor het woon-werkverkeer. Zo wordt voor niet-belastingplichtige bestuurders of zaakvoerders van een vennootschap het traject van hun woonplaats naar de maatschappelijke zetel van de vennootschap, aangemerkt als woon-werkverkeer. Voor belastingplichtige bestuurders of zaakvoerders, wordt het woon-werkverkeer daarentegen niet aangemerkt als woon-werkverkeer.

Meer info: mail naar [email protected]


* Voor lichte vrachtwagens gelden afzonderlijke regels