• “Reparatiewetgeving” van de wet van 25 december 2017

“Reparatiewetgeving” van de wet van 25 december 2017

10 augustus 2018

Traditioneel worden voor het parlementair zomerreces nog een aantal nieuwe wetten bekend gemaakt. Eén van die wetten is de ‘wet houdende de diverse bepalingen inzake de inkomstenbelastingen’ die een aantal aanpassingen aan de wet van 25 december 2017 (beter gekend als “het Zomerakkoord”) aanbrengt. Een greep uit de belangrijkste wijzigingen.

Aanpassingen aan de notionele interestaftrek (aftrek voor risicokapitaal)

Invoering van een aantal antimisbruikbepalingen

De wetswijziging voorziet nieuwe aanpassingen van de berekeningsbasis van de notionele interestaftrek.

Op de eerste plaats viseert de nieuwe wet de zogenaamde “double dip” situaties waarbij het eigen vermogen van de dochtervennootschap die de notionele interestaftrek geniet, gefinancierd wordt met rentedragende leningen op niveau van de aandeelhouder. Op het niveau van de aandeelhouder zijn de betaalde interesten aftrekbaar als beroepskosten, terwijl op het niveau van de dochtervennootschap de notionele interestaftrek o.m. berekend wordt op basis van de ingebrachte gelden.

De wetswijziging bepaalt nu dat het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de notionele interestaftrek verminderd moet worden met de extern gefinancierde inbreng van kapitaal door een verbonden vennootschap die de intresten als kosten aftrekt.

Een tweede aanpassing voorziet in een verlaging van de berekeningsbasis van de notionele interestaftrek met de fiscale netto waarde van de vorderingen die de vennootschap heeft op een niet-inwoner of op een buitenlandse inrichting die gevestigd is in een land waarmee geen uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden mogelijk is, tenzij de vennootschap bewijst dat de verrichting beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften.

Een derde aanpassing houdt in dat de berekeningsbasis verminderd moet worden met de inbreng van kapitaal door een niet-inwoner of een buitenlandse inrichting die gevestigd is in een dergelijk land waarmee geen uitwisseling van inlichtingen voor belastingaangelegenheden mogelijk is tenzij de vennootschap ook hier bewijst dat de verrichting beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften.

 

Notionele interestaftrek en een belastingvrije inbreng

Bij belastingvrije fusies, splitsingen en daarmee gelijkgestelde verrichtingen geldt er een continuïteitsbeginsel voor de notionele interestaftrek. Dit betekent dat de aftrek in verband met de ingebrachte bestanddelen in aanmerking wordt genomen alsof de fusie of de splitsing niet in aanmerking wordt genomen. De wetswijziging voorziet nu een gelijkaardige behandeling in geval van een belastingvrije inbreng van een of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen.

Inwerkingtreding: vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2018. Wijzigingen aan de afsluitdatum van het boekjaar die vanaf 26 juli 2017 worden doorgevoerd, blijven zonder uitwerking.

 

Beperkte wijziging aan de berekeningsbasis

De hervormingswet van 25 december 2017 voerde een nieuwe berekeningswijze in waarbij het in aanmerking te nemen risicokapitaal gelijk is aan één vijfde van het positieve verschil tussen het jaarlijks bedrag van het risicokapitaal aan het einde van het belastbaar tijdperk en het jaarlijks bedrag van het risicokapitaal aan het einde van het vijfde voorgaande belastbaar tijdperk. De nieuwe wetswijziging bepaalt dat de beoordeling voortaan gemaakt wordt aan het begin (i.p.v. het einde) van het belastbaar tijdperk.

 

Inwerkingtreding

Vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2018. Wijzigingen aan de afsluitdatum van het boekjaar die vanaf 26 juli 2017 worden doorgevoerd, blijven zonder uitwerking.

 

Overgedragen DBI-aftrek bij belastingvrije reorganisaties

Sinds de wet van 25 december 2017 gelden voor de DBI-overschotten bij belastingvrije reorganisaties dezelfde regels als deze voor de verliezen. De voorgestelde inwerkingtreding gaf aanleiding tot praktische problemen. De voorliggende wetswijziging past de inwerkingtreding in die zin aan dat de nieuwe regeling zal gelden vanaf de dag waarop de nieuwe wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en van toepassing zal zijn op de verrichtingen die hebben plaatsgevonden vanaf 1 januari 2018.

 

Verlaagd tarief vennootschapsbelasting en de minimale bezoldiging / bijzondere aanslag

Vennootschappen zonder natuurlijke persoon bedrijfsleider

Om van het verlaagd tarief vennootschapsbelasting gebruik te kunnen maken, moet een vennootschap aan verschillende voorwaarden voldoen. Eén ervan bepaalt dat de vennootschap een minimumbezoldiging moet toekennen aan minstens één van haar bedrijfsleiders. De oorspronkelijke tekst zaaide twijfel over de voorwaarde in situaties waarbij er geen natuurlijke persoon bedrijfsleiders benoemd waren. De nieuwe tekst laat duidelijk verstaan dat er in dergelijke situaties geen gebruik kan gemaakt worden van het verlaagd tarief vennootschapsbelasting.

 

Minimale bezoldiging en de bijzondere aanslag

Sinds de hervormingswet zijn alle vennootschappen (ook de vennootschappen onderworpen aan de belasting van niet-inwoners) verplicht een bepaalde minimale bezoldiging (45.000 EUR) toe te kennen aan ten minste één bedrijfsleider, zoniet wordt er een bijzondere aanslag van 5 % opgelegd. Het bedrag van die bezoldiging is gelinkt aan de minimale bezoldiging die kmo’s moeten toekennen als zij in aanmerking willen komen voor het verlaagd tarief van de vennootschapsbelasting (zie hoger).

Deze verplichting geldt ook voor vennootschappen zonder bedrijfsleiders-natuurlijke personen (die bij gebrek aan dergelijke bedrijfsleiders die minimale bezoldiging niet kunnen toekennen en bijgevolg automatisch de bijzondere aanslag verschuldigd zijn).

De bijzondere aanslag van 5 % is verschuldigd op het verschil tussen 45.000 EUR, enerzijds, en de hoogste bezoldiging die door de vennootschap aan één van haar bedrijfsleiders/natuurlijke personen is toegekend, anderzijds. De nieuwe wet verduidelijkt dat de eerste term van het verschil (45.000 EUR) desgevallend vervangen wordt door de lagere bezoldiging ingeval de vennootschap slechts een beperkt belastbaar inkomen heeft.

Voor verbonden vennootschappen geldt een bijzondere regeling. Voor de toepassing van de bijzondere aanslag van 5 % mag het totaal van de door deze vennootschappen aan een van de personen gestorte bedragen gezamenlijk in aanmerking worden genomen, waarbij de vereiste minimale bezoldiging wordt opgetrokken tot 75.000 EUR. De nieuwe wet preciseert dat de bijzondere aanslag dan desgevallend wordt toegepast in hoofde van de vennootschap die het hoogste bedrag aan belastbaar inkomen heeft aangegeven (de oorspronkelijke tekst bepaalde dat de afzonderlijke aanslag wordt toegepast in hoofde van de vennootschap met het hoogste belastbaar resultaat).

 

Inwerkingtreding

Er is geen bijzondere datum van inwerkingtreding voorzien. Bijgevolg wordt de datum tien dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad.

 

Geen tariefverhoging van de bijzondere aanslag

De hervormingswet van 25 december 2017 voorzag dat de bijzondere aanslag van 5 % zou worden verhoogd naar 10 % vanaf het aanslagjaar 2021 verbonden aan boekjaren die aanvangen vanaf 1 januari 2020. Deze verhoging wordt nu geschrapt.

 

Afschaffing van de verhoogde aftrek van 120 % voor bepaalde kosten

De hervormingswet van 25 december 2017 voorzag reeds in het algemeen in de afschaffing van de verhoogde aftrek tot 120 % van de kosten voor het organiseren van collectief vervoer van personeelsleden in het kader van het woon-werkverkeer.

De nieuwe wetswijziging breidt dit nu uit tot de verhoogde aftrek tot 120 % in verband met bepaalde kosten inzake beveiliging en om het gebruik van de fiets in het woon-werkverkeer aan te moedigen.

De inwerkingtreding is identiek gebleven, met name aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020. Elke wijziging die vanaf 26 juli 2017 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, blijft zonder uitwerking.