• De kaaimantaks uitgebreid vanaf 2018

De kaaimantaks uitgebreid vanaf 2018

Dirk Van wal , Partner |

11 april 2019

De kaaimantaks is een belasting die sinds 2015 geldt voor Belgische inwoners (natuurlijke personen) die vermogens bezitten in laagbelaste vermogensstructuren, zoals trustachtige figuren of vennootschappen in belastingparadijzen. De kaaimantaks is verschuldigd over de inkomsten van dergelijke vermogensstructuren (zogenoemde ‘juridische constructies’). De taks wordt geheven in hoofde van de oprichter /inbrenger/erfgenaam alsof deze de inkomsten rechtstreeks heeft ontvangen (fiscale transparantie).

Wat is een juridische constructie?

Een rechtspersoon is een “juridische constructie” als ze in het land waar ze is gevestigd niet aan de inkomstenbelastingen is onderworpen, of is onderworpen aan een inkomstenbelasting die lager is dan 15% van haar belastbaar inkomen. Het bepalen van dat belastbaar inkomen gebeurt fictief aan de hand van Belgische fiscale wetgeving.

Aanvankelijk waren er twee types van juridische structuren: structuren van fiduciaire aard, zoals trusts (type 1) en structuren met rechtspersoonlijkheid (type 2). Daarna werden ook het onderbrengen van de type 1 en type 2 structuren in een verzekeringscontract onder het toepassingsgebied gebracht. De doorkijkbelasting is niet van toepassing voor juridische constructies van type 2 voor niet-EER structuren als deze onderworpen zijn aan een inkomstenbelasting die ten minste 15 % bedraagt (tenzij het gaat om een daadwerkelijke economische activiteit andere dan het beheer van het privévermogen van de oprichter).  Dergelijk tegenbewijs kan niet geleverd worden voor juridische constructies van type 1.

Naast de eigenlijke fiscale transparantie geldt een specifieke regeling in de vorm van belastbaarheid bij de werkelijke uitkering door juridische constructies. Het gaat dan niet meer om de inkomsten die de constructie ontvangt en die via de transparantieregel worden belast bij de oprichter. Het gaat hier om de werkelijke uitkeringen die als een dividend zullen belast worden in de mate dat de belastingplichtigen niet kunnen aantonen dat de toekenning het vermogen doet dalen beneden het door de oprichter ingebrachte vermogen (behoudens als die inkomsten reeds bij de genieter belast werden). Hierbij worden de oudst verkregen inkomsten geacht eerst te zijn uitgekeerd (eerst de oudste reserves, dan de met kaaimantaks belaste reserves, en tenslotte het ingebrachte kapitaal).

Sinds 1 januari 2018 werden ook al de dubbelstructuren en ketenconstructies gevat door de kaaimantaks. Voor ieder van de entiteiten is het relevant dat zij op zichzelf kwalificeren als juridische constructie.  In de mate dat één entiteit uit de keten niet kwalificeert, is de kwalificatie als ketenconstructie niet meer mogelijk voor de onderliggende entiteiten.

Rechtspersonen binnen de Europese Economische Ruimte (EER) vielen in principe buiten het toepassingsgebied van de Kaaimantaks, tenzij ze voorkwamen op een limitatieve lijst bepaald bij Koninklijk Besluit (het zogenaamde EER-KB). Het ging om:

  • Institutionele instellingen voor collectieve belegging (ICB’s) waarvan de rechten door één persoon of meerdere met elkaar verbonden personen worden aangehouden (fonds dédiés).
  • “Hybride vennootschappen”: Dit zijn vennootschappen waarbij de buitenlandse inkomstenbelasting wordt geheven ten aanzien van de achterliggende vennoten (fiscaal transparant) en die voor de toepassing van de Belgische inkomstenbelastingen niet als fiscaal transparant worden beschouwd (vb. de Luxemburgse Société en Commandite Simple), althans voor zover ze inkomsten van Belgische oorsprong verkregen.
  • Limitatieve lijst van vennootschappen: de Liechtensteinse Stiftung en Anstalt en de Luxemburgse Société de gestion Patrimoine Familiale (SPF).

 

Nieuw toepassingsgebied

Sinds 1 januari 2018 is de toepassing van de Kaaimantaks aanzienlijk uitgebreid voor entiteiten met rechtspersoonlijkheid binnen de Europese Economische Ruimte. De Ministerraad heeft inmiddels ook haar goedkeuring gegeven aan een aangepast niet-EER KB. Dit KB voegt een nieuw artikel toe waarin de regeling van de beleggingsinstellingen en de regeling van de hybride vennootschappen zoals die werd uitgewerkt voor de EER naar analogie wordt overgenomen. Praktisch is de impact hiervan echter beperkt.

Binnen de EER gaat het om volgend verruimd toepassingsgebied:

 

1. Beleggingsinstellingen

Het gaat om beleggingsinstellingen waarvan de rechten berusten bij één persoon of meerdere verbonden personen, en waarvan de inkomsten niet onderworpen zijn aan inkomstenbelastingen of laag belast zijn (lager dan 15%).

Collectieve beleggingsinstellingen vallen enkel onder de kaaimantaks als de rechten uitsluitend door één of met elkaar verbonden personen worden aangehouden (fonds dédié).

 

2. Hybride vennootschappen

De vroegere regel dat een hybride vennootschap slechts een “juridische constructie” is indien ze inkomsten van Belgische oorsprong verkrijgt die niet belastbaar zijn in België, is opgeheven.

Er zijn evenwel 2 specifieke uitsluitingsgronden voorzien, waarbij de Kaaimantaks niet geldt:

  • Als op grond van een dubbelbelastingverdrag tussen België en een EER-staat de heffingsbevoegdheid aan deze laatste zou toekomen (bijvoorbeeld in het geval van een Franse SCI). Deze bijzondere uitsluitingsgrond is eveneens van toepassing op het derde onderdeel (niet- of laag belaste entiteiten).
  • Als de achterliggende vennoot minstens 1 % belasting betaalt op het deel van het inkomen van de vennootschap dat hem toekomt (berekend volgens de Belgische regels) in het land waar de vennootschap is gevestigd.

 

3. Niet- of laag-belaste entiteiten (andere dan beleggingsinstellingen)

Het nieuwe EER-KB bevat niet langer een (beperkte) opsomming van niet- of laag-belaste entiteiten, maar hanteert nu een algemene definitie. Voortaan vallen alle EER-entiteiten met rechtspersoonlijkheid die vrijgesteld zijn van inkomstenbelastingen of minder dan 1 % inkomstenbelastingen betalen (opnieuw op basis van een Belgische grondslag) onder het toepassingsgebied van de Kaaimantaks. Abonnementstaksen, forfaitaire belastingen of andere diverse taksen tellen niet mee voor de bepaling van de 1 %-grens. Voor EER-entiteiten met rechtspersoonlijkheid wordt bijgevolg expliciet afgeweken van de 15 % norm, maar geldt een 1 % norm. In principe kan nu iedere entiteit die minder dan 1 % inkomstenbelastingen betaalt, onder het toepassingsgebied van de Kaaimantaks vallen.

Als een entiteit beschouwd wordt als een “juridische constructie”, ontstaat de verplichting voor de oprichter of houder van de rechten de inkomsten aan te geven. De aard van de inkomsten blijft ongewijzigd: onroerende of roerende inkomsten blijven dat ook in de aangifte personenbelasting van de aangever.

 

Praktische toepassing

Elke onderneming binnen de EER is nu mogelijk onderworpen aan de Kaaimantaks als zij niet minstens 1% belasting betaalt. Om na te gaan of er al dan niet 1% belasting is betaald, moet men de belastbare grondslag herberekenen volgens de Belgische normen, en nagaan of er op de "fictieve" Belgische belastbare grondslag 1% belasting werd betaald of had moeten worden betaald.

Het Verslag aan de Koning geeft als voorbeeld de Luxemburgse SPF, die geen vennootschapsbelasting betaalt. Het is duidelijk dat dit type vennootschap, zoals voorheen, onderworpen is aan de Kaaimantaks. Voor natuurlijke personen die een handelsvennootschap in bijvoorbeeld Nederland hebben, is het duidelijk dat dergelijke vennootschap niet onder het toepassingsgebied van deze nieuwe bepaling zal vallen. Maar bij holdings, zoals de Luxemburgse Soparfi, is het antwoord veel minder duidelijk.

Een Luxemburgse Soparfi (“Société de Participation Financière”) is een vennootschap die onderworpen is aan de normale Luxemburgse vennootschapsbelasting. Zij geniet niet van een gunstregime. Een Soparfi houdt doorgaans participaties aan in andere vennootschappen. Zij ontvangt dan roerende inkomsten (dividenden en interesten) en realiseert meer- en minderwaarden op aandelen en andere financiële instrumenten. Deze inkomsten zijn in principe onderworpen aan een gelijkaardig belastingstelsel als in België. Er zijn evenwel enkele verschillen: de vrijstelling van 100% van de door Soparfi ontvangen dividenden vereist in Luxemburg iets andere voorwaarden dan in België: minimumdeelneming van 10% of € 2,5 miljoen in België versus 10% of € 1,2 miljoen in Luxemburg. Er zijn ook verschillen in de voorwaarden voor de vrijstelling van meerwaarden op aandelen, de aftrek van minderwaarden op aandelen, het stelsel van abnormale of goedgunstige voordelen, de belasting van dividenden en meerwaarden op Belgische distributiebeveks (DBI-beveks), …. Als de conclusie is dat de Soparfi onderworpen is aan de Kaaimantaks, dan worden haar roerende inkomsten onderworpen aan de Belgische belasting van 30% in hoofde van de in België wonende aandeelhouders.

 

Contact

Indien u vragen heeft, kunt u contact opnemen met uw gebruikelijke BDO contactpersoon of  een mail verzenden naar Tax@bdo.be