• Fiscale maatregelen van de programmawet ’Begrotingsopmaak 2021’

Fiscale maatregelen van de programmawet ’Begrotingsopmaak 2021’

Delphine Vanassche, Senior Manager |

08 januari 2021

De federale regering keurde op 20 december 2020 de programmawet met een 7-tal nieuwe fiscale maatregelen goed. De maatregelen zijn van toepassing vanaf 1 januari 2021, doch een aantal maatregelen hebben reeds uitwerking in 2020. 

Gezinsfiscaliteit

Wat reeds in het regeerakkoord werd aangekondigd, wordt in de programmawet omgezet in concrete maatregelen. De gezinsfiscaliteit wordt verlicht om zo een betere aansluiting te hebben op de balans werk/leven en er komt extra steun voor de zorg voor oudere, inwonende familie.

In de huidige maatregel geven de kosten voor kinderopvang voor kinderen tot 12 jaar (of 18 jaar voor kinderen met een zware handicap) recht op een belastingvermindering van max. 11,20 EUR per dag. Voor alleenstaanden kan deze vermindering worden uitgebreid tot 30% (afhankelijk van het inkomen).

De programmawet breidt de belastingvermindering voor kosten voor kinderopvang gevoelig uit. In eerste instantie wordt het maximumbedrag van de belastingvermindering per kind per oppasdag opgetrokken naar 13 EUR voor inkomstenjaar 2020 en 13,70 EUR voor inkomstenjaar 2021. Dit maximumbedrag zal ook verder jaarlijks worden geïndexeerd.  Daarnaast wordt ook de leeftijdsgrens verhoogd van 12 naar 14 jaar (en van 18 naar 21 jaar voor kinderen met een zware handicap). Tenslotte komen vanaf nu ook de kosten voor professionele thuisopvang van zieke kinderen in aanmerking. Uitgaven voor informele opvang door ouders, grootouders, vrienden,… komen niet in aanmerking voor de belastingvermindering. De belastingvermindering zal evenwel enkel worden verleend wanneer de belastingplichtige over een geldig attest beschikt.

De belastingvrije som van de belastingplichtige die een hulpbehoevend familielid ouder dan 65 jaar in huis neemt om voor die persoon te zorgen zal eveneens worden verhoogd tot 4.900 EUR (AJ2021). De regering verhoogt weliswaar de toeslag maar de maatregel wordt voortaan voorbehouden aan mantelzorgers, i.e. belastingplichtige die een (groot)ouder, broer of zus ten laste hebben die een zekere leeftijd heeft bereikt en zorgbehoevend is.

Om te bepalen of iemand al dan niet hulp- of zorgbehoevend is, wordt rekening gehouden met zijn graad van zelfredzaamheid, die bepaald wordt op basis van de evaluatiemethode die wordt gehanteerd voor de integratietegemoetkoming (MB d.d. 30 juli 1987). Een verminderde zelfredzaamheid van ten miste 9 punten is hierbij vereist.

Die bijkomende voorwaarde inzake zorgbehoevendheid zal in beginsel reeds vanaf aanslagjaar 2022 van toepassing zijn. Er wordt evenwel in een overgangsregeling voorzien voor belastingplichtigen die voor het aanslagjaar 2021 een (groot)ouder, broer of zus ten laste hadden die op 1 januari 2021 de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Voor hen blijft de bestaande regeling behouden tot en met aanslagjaar 2025, tenzij de nieuwe regeling voordeliger is.

 

Niet-indexering van de fiscale uitgaven

De gezinsfiscaliteit krijgt weliswaar bijkomende stimuli, doch heel wat andere fiscale maatregelen zullen de komende 4 jaar minder gunstig uitpakken. De fiscale bedragen van heel wat fiscale uitgaven worden vanaf inkomstenjaar 2020 tot en met 2023 immers bevroren.

Heel wat belastingverminderingen -en vrijstellingen zullen aldus de komende 4 jaar gelijk blijven aan het niveau van inkomstenjaar 2019. Het gaat onder meer over de vrijgestelde eerste schijf van inkomsten uit spaardeposito’s, dividenden, intresten met sociaal oogmerk, de vrijgestelde intresten in kader van crowdlending, de fiscale korf voor de belastingvermindering voor het lange termijnsparen, de belastingvermindering voor giften, de belastingvermindering voor huispersoneel, de belastingvermindering voor verwerving van werkgeversaandelen

Vanaf inkomstjaar 2024 zullen de fiscale bedragen opnieuw kunnen worden geïndexeerd. Evenwel is het niet de bedoeling in 2024 (AJ 2025) een inhaalbeweging te maken van de niet-geïndexeerde bedragen.

Voor inkomstenjaar 2020 wordt de indexeringsstop voor wat betreft pensioensparen nog even uitgesteld tot 2021. Zo hebben pensioenspaarders die reeds het maximale bedrag van 990 EUR hebben gespaard in 2020 nog steeds recht op een belastingvermindering van 30% in plaats van 25% door de niet-indexering. Dezelfde regel is van toepassing voor een gespaard maximaal bedrag van 1.270 EUR met een belastingvermindering van 25% dat voor inkomstenjaar 2020 wordt behouden.

Via deze maatregel wil de overheid geld uitsparen dat extra budget vrijmaakt om andere uitgaven te financieren. Zo wil de overheid extra uitgaven doen in de gezondheidssector als gevolg van coronacrisis.

 

Verhoging van de accijnzen op de tabaksproducten

Om de consumptie van sigaretten en tabak tegen te gaan, heeft de regering besloten de accijnzen op deze producten systematisch te verhogen vanaf 1 januari 2021 om een rookvrije generatie te stimuleren. Voor 2022, 2023 en 2024 zijn bijkomende verhogingen reeds ingepland. Met dit anti-tabaksbeleid streeft de overheid naar een lagere aantrekkelijkheid en lagere toegankelijkheid van voornamelijk sigaretten, roltabak en nieuwe tabaksproducten die populair zijn bij beginnende rokers.

 

Overdracht van het saldo van bank- en betaalrekeningen en financiële contracten naar het centraal aanspreekpunt

Het Centraal Aanspreekpunt (CAP), beheerd door de Nationale Bank, is een register dat de bankrekeningnummers en bepaalde financiële contracten bevat die zowel door natuurlijke personen als door rechtspersonen worden gehouden bij Belgische financiële instellingen. Sinds 2014 moet elke Belgische financiële instelling gegevens met betrekking tot de rekeningnummers alsook financiële contracten overmaken aan het CAP. De buitenlandse rekeningen moeten door de belastingplichtigen eveneens worden meegedeeld aan het CAP.

Deze databank kan onder bepaalde voorwaarden bepaald in art. 322§1 WIB 92 worden geraadpleegd door de fiscale administratie bij aanwijzing van belastingontduiking.

De programmawet breidt het CAP nu uit met de gegevens over het saldo van de bankrekeningen en contracten. Dit is een gevoelige uitbreiding van de informatie waarover het CAP beschikt.

Voor de huidige Covid-19 pandemie zullen heel wat middelen nodig zijn in kader van het relanceplan en de financiering van onze gezondheidszorg. De strijd tegen fraude werd dan ook in het regeerakkoord prioritair ingeschreven. Om deze doelstelling te bereiken wil de overheid, binnen de bestaande mogelijkheid om het CAP te raadplegen, de raadpleging van het CAP uitbreiden met de gegevens over het saldo van bank- en betaalrekeningen en contracten om zo fraude nog beter te kunnen blootleggen en te bestrijden.

De eerste mededeling van deze saldi en bedragen voor 2020 en 2021 zou ten laatste op 31 januari 2022 dienen te gebeuren.

 

Btw 6% voor afbraak en heropbouw van gebouwen

In kader van het economische relanceplan wordt het verlaagd btw-tarief van 6 % voor de afbraak van gebouwen en de heropbouw van woningen tijdelijk uitgebreid tot gans het Belgische grondgebied en dit van 1 januari 2021 tot 31 december 2022. De overheid wil op deze manier twee vliegen in één klap vangen: de ondersteuning van de bouwsector alsook het vervangen van oude, niet ecologische gebouwen in een duurzaam en energiezuinig alternatief. Daarnaast streeft de maatregel ook een belangrijke sociale doelstelling na die zich weerspiegelt in de ‘sociale’ voorwaarden die aan de maatregelen worden gekoppeld.

Naast de uitbreiding tot gans het Belgisch grondgebied  wordt ook het materieel toepassingsgebied uitgebreid vanaf 1 januari 2021. In de maatregel wordt een onderscheid gemaakt tussen 1) de afbraak en heropbouw van een gebouw door een bouwheer-natuurlijk persoon, 2) de afbraak en heropbouw bestemd voor langdurige verhuur in het kader van het sociaal beleid en 3) de leveringen van woningen en bijhorend terrein (met inbegrip van de vestiging, overdracht of wederoverdracht van zakelijke rechten) door een belastingplichtige die de afbraak en de heropbouw heeft uitgevoerd. Bijgevolg kunnen ook bouwpromotoren die projecten realiseren met oog op verkoop hierdoor vanaf 1 januari 2021 ook van het voordeeltarief genieten.

Voor elk van deze drie situaties moet de afbraak en heropbouw gebeuren op hetzelfde kadastraal perceel. Uitgesloten handelingen zijn de werken in onroerende staat en andere handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen, handelingen die betrekking hebben op zwembaden, sauna’s, midgetgolfbanen, tennisterreinen e.d. alsook de reiniging van de woning.

Per categorie zijn er ook aantal voorwaarden en formaliteiten die moeten worden vervuld. Zo moet het bijvoorbeeld voor een bouwheer-natuurlijk persoon betrekking hebben op de enige eigen woning met een totaal bewoonbare oppervlakte van 200 m². Voor de woningen bestemd voor sociale verhuur handelt het gebouw moet na uitvoering van de werken door de bouwheer als woning worden verhuurd aan een sociaal verhuurkantoor of dat als woning wordt verhuurd in het kader van een door de bouwheer aan een sociaal verhuurkantoor toegekend beheersmandaat gedurende een periode van tenminste 15 jaar. De verkoop van woningen door bouwpromotoren aan het verlaagd tarief heeft ofwel betrekking op een woning die door een natuurlijk persoon tot enige eigen woning wordt bestemd ofwel op woning bestemd voor sociale woningverhuur zoals hierboven aangeduid.

 

Verhoging van de investeringsaftrek

De gewone eenmalige investeringsaftrek werd reeds verhoogd van 8% naar 25% voor investeringen in vaste activa door KMO’s tussen 12 maart 2020 en 31 december 2020. Deze maatregel wordt in de programmawet verlengd tot 31 december 2022. Op deze manier wil de overheid KMO’s aanmoedigen om ondanks deze moeilijke tijden toch te investeren.

De maatregel voorziet eveneens, voor de tot 31 december 2021 verkregen of tot stand gebrachte vaste activa, in een verlenging van de overdracht van de niet verleende vrijstelling van de investeringsaftrek naar de twee volgende belastbare tijdperken.

 

Opleiding van werknemers

Bedrijven kunnen voortaan een vermindering op de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing verkrijgen wanneer zij werknemers meer opleidingsuren aanbieden dan wettelijk verplicht. Hiertoe moeten een aantal voorwaarden voldaan zijn . De werknemer moet vooreerst reeds 6 maanden in dienst zijn en de (bijkomstige) opleiding, ten laste van de werkgever, moet 10 dagen gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen betreffen. De minimale duurtijd van 10 dagen mag bij ploeg- en nachtarbeiders worden verspreid over een onafgebroken periode van 60 dagen. Voor KMO’s wordt de duurtijd van de opleiding beperkt tot minimaal 5 dagen gedurende een ononderbroken periode van 75 dagen.

Ingeval een werknemer regeling van verminderde arbeid geniet, moet de periode van 10 dagen in dezelfde verhouding worden verminderd.

De vermindering voor doorstorting bedrijfsvoorheffing bedraagt 11,75% op de maandelijkse bezoldiging van de werknemer, waarbij een maximum brutoloon van 3.500 EUR in beschouwing wordt genomen.

De maatregel heeft tot doel werkgevers aan te moedigen om meer opleiding te verstrekken. Opleidingen die reeds verplicht zijn door een wettelijke of reglementaire verplichting of door een CAO of enige andere bepaling komen derhalve niet in aanmerking. De opleiding moet eveneens een beroepskost uitmaken voor de werkgever.

 

Contact

Voor meer informatie over deze maatregelen kunt u terecht bij uw gebruikelijke BDO-contactpersoon of kunt u met ons contact opnemen via [email protected]