• Fiscale regularisatieprocedures en toepassing van de antiwitwaswet

Een nieuwe omzendbrief van de NBB die verontrustend is!

Nicolas Thémelin, Senior Advisor |

12 juli 2021

De Nationale Bank van België (NBB) heeft op 8 juni 2021 een nieuwe circulaire uitgevaardigd over “Verplichtingen tot waakzaamheid ten aanzien van repatriëringen van geldmiddelen uit het buitenland en inaanmerkingneming van de fiscale regularisatieprocedures bij de toepassing van de antiwitwaswet ".

In deze circulaire verduidelijkt de NBB haar verwachtingen ten aanzien van financiële instellingen bij de verificatie van gerepatrieerde fondsen uit het buitenland en de in aanmerking te nemen fiscale regularisatieprocedures voor de toepassing van de antiwitwaswet.

Deze circulaire zal de financiële instellingen een aanzienlijke hoeveelheid werk opleggen om de herkomst te verifiëren van fondsen die de afgelopen 17 jaar zijn gerepatrieerd, met name volgens de procedures voor de Eenmalige Bevrijdende Aangifte (EBA-, EBAbis- en EBAter-procedures), en een potentieel risico voor de betrokken belastingbetalers.

 

Toepassingsgebied

De nieuwe circulaire heeft niet alleen betrekking op in België gevestigde bankinstellingen, maar richt zich tot een breder publiek:

  • kredietinstellingen naar Belgisch recht, met inbegrip van in België gevestigde bijkantoren van instellingen die ressorteren onder het recht van een ander land van de Europese Economische Ruimte (EER) of van een derde land;
  • beursvennootschappen naar Belgisch recht, met inbegrip van in België gevestigde bijkantoren van vennootschappen die ressorteren onder het recht van een ander EER-land of van een derde land;
  • verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die een vergunning hebben om levensverzekeringsactiviteiten uit te oefenen, met inbegrip van in België gevestigde bijkantoren van ondernemingen die ressorteren onder het recht van een ander EER-land of van sen derde land.

 

Welke inhoud en voor welke doeleinden?

Algemene beginselen

De NBB gaat ervan uit dat de bewijslast van de rechtmatigheid van de herkomst (d.w.z. niet aangetast door fraude, zelfs indien verjaard) van de gerepatrieerde fondsen (of fondsen in repatriëring) bij de klant ligt. De cliënt moet dit bewijs dus op overtuigende wijze leveren, zoniet zal de financiële instelling verplicht zijn een melding van verdachte transacties in te dienen bij de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CTIF), zelfs indien er geen aanwijzingen zijn van een illegale oorsprong.

Maar zelfs als er een vermoeden bestaat, verbiedt de wet een instelling in principe niet om al dan niet gerepatrieerde middelen uit het buitenland te ontvangen als zij weet, vermoedt of redelijke gronden heeft om te vermoeden dat deze middelen verband houden met het witwassen van geld. Er moet echter een melding van verdachte transacties bij de CTIF worden gedaan zodra de instelling wordt benaderd, zelfs als de transactie niet plaatsvindt.

 

‘Look back’-mechanisme

De NBB preciseert dat “indien een Belgische financiële instelling ermee instemt geldmiddelen te ontvangen waarvan zij weet, vermoedt of reden heeft om te vermoeden dat ze voortkomen uiternstige fiscale fraude als bedoeld in de antiwitwaswet op het ogenblik van de repatriëring, dient zij zich ervan te vergewissen dat de client daadwerkelijk alle nodige maatregelen heeft genomen om de fiscale status van deze geldmiddelen te regulariseren.”

Met andere woorden, de instellingen wordt verzocht hun aanvaarding van fondsen afhankelijk te stellen van de indiening door de klant van een verzoek om fiscale regularisatie (DLUquater).

 

Wat met regularisaties in het verleden?

Voor in het verleden uitgevoerde repatriëringen, neemt de NBB het standpunt in dat het noodzakelijk was om "alle betrokken fondsen" te regulariseren. In geval van repatriëring van middelen waarvan alleen de inkomsten zijn geregulariseerd, had de instelling destijds "relevante informatie moeten verzamelen en analyseren om na te bepalen of het vermoeden dat deze bedragen voortkwamen uit fiscale belastingfraude, kon worden weggenomen. Zo niet, dan was een verklaring aan het CTIF vereist". De instelling die dit onderzoek niet kon uitvoeren heeft “niet voldaan aan haar wettelijke waakzaamheidsverplichtingen”  "in gebreke gebleven ten aanzien van haar wettelijke waakzaamheidsverplichtingen  en moet zij dit verhelpen door deze informatieverzameling en -analyse onmiddellijk en met de nodige zorgvuldigheid uit te voeren”.

De NBB beveelt dan ook aan dat alle financiële instellingen zich ervan vergewissen dat zij in het verleden de relevante informatie hebben verzameld en nodigt de auditdiensten uit om een evaluatie uit te voeren van de huidige en vroegere interne procedures. De NBB verwacht van de financiële instellingen dat zij “haar tegen 31 oktober 2021 een planning te bezorgen voor de uitvoering en afronding van het onderzoek van de interne audit, met dien verstande dat de uiterste datum voor deze afronding is vastgelegd op 3O juni 2022."

 

Wat volgt?

Deze circulaire ligt duidelijk in de lijn van de huidige context, waarin de regering regularisaties van voorgeschreven kapitaal wil aanmoedigen (of zelfs afdwingen) via het DLUquater, dat op 31 december 2022 eindigt. In deze context is de NBB van mening dat de EBA-, EBAbis- en EBAter-procedures (wanneer het kapitaal niet onderworpen was aan een regularisatieheffing) niet voorzien in een amnestie voor de voorgeschreven kapitalen die niet onderworpen zijn geweest aan de opheffing van de regularisatie.

Een dergelijk standpunt is vatbaar voor kritiek, aangezien uit de parlementaire werkzaamheden met betrekking tot de DLUbis duidelijk blijkt dat de verleende immuniteit niet alleen betrekking had op de inkomsten die het voorwerp uitmaakten van de regularisatieprocedure, maar ook op het "onderliggende kapitaal".

 

Contact

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Bruno Orban / Nicolas Thémelin