• Het nieuwe verbintenissenrecht (Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek)

Het nieuwe verbintenissenrecht

13 september 2022

Het gebeurt niet elke dag dat wetgeving die meer dan 200 jaar oud is, een volledige herziening ondergaat. Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot hervorming van het verbintenissen- en contractenrecht is dus zeker een belangrijke gebeurtenis.

Inwerkingtreding

Boek 5 BW treedt in werking op 1 januari 2023. De nieuwe regels zullen daarom van toepassing zijn op contracten die vanaf de datum van inwerkingtreding worden gesloten. Op overeenkomsten die vóór die datum zijn gesloten (met inbegrip van de addenda die na die datum zijn overeengekomen), blijft het oud Burgerlijk Wetboek van toepassing, tenzij de partijen overeenkomen de bepalingen van het nieuwe Boek 5 toe te passen.

 

Doelstellingen van de hervorming

Met deze hervorming wil de wetgever het verbintenissenrecht toegankelijker maken door de relevante rechtspraak en rechtsleer in het Burgerlijk Wetboek te integreren. De nieuwe wetgeving bevat eveneens een hele reeks definities van juridische begrippen, alsook inleidende artikelen en een meer samenhangende structuur.

De meeste van de huidige regels blijven dus substantieel ongewijzigd. Boek 5 introduceert echter een aantal belangrijke nieuwe elementen in ons recht voor particulieren en ondernemingen.

 

Wijziging van omstandigheden (imprevisieleer)

Van alle wijzigingen die in Boek 5 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek zijn aangebracht, is de meest opmerkelijke ongetwijfeld de invoering van de imprevisieleer.

Het consensualimse blijft in principe de regel. Dat wil zeggen dat partijen gebonden zijn door de overeenkomsten die zij hebben gesloten en verplicht zijn deze na te komen. Het nieuwe verbintenissenrecht aanvaardt evenwel dat een overeenkomst kan worden gewijzigd wanneer een wijziging in de omstandigheden de nakoming ervan dermate bezwarend maakt dat het onredelijk zou zijn de oorspronkelijke voorwaarden te handhaven.

Aangezien het om een uitzondering op de algemene regel gaat, kan op dit mechanisme alleen een beroep worden gedaan in uitzonderlijke omstandigheden en mits aan vijf strikte voorwaarden is voldaan.

Onder welke voorwaarden?

  1. In de eerste plaats moet er sprake zijn van een verandering van omstandigheden na het sluiten van de overeenkomst, waardoor de uitvoering ervan buitensporig bezwarend wordt voor de schuldenaar. Deze wijziging kan van diverse aard zijn (economisch, politiek, gezondheid, enz.) en hoeft niet het gevolg te zijn van een plotselinge gebeurtenis. De schuldenaar die zich op de imprevisieleer wil beroepen, zal ook moeten aantonen dat de wijziging van omstandigheden een zodanig onevenwicht tussen de prestaties van de partijen teweegbrengt dat de uitvoering van de overeenkomst redelijkerwijze niet meer kan worden verlangd. Het is belangrijk op te merken dat het niet nodig is te bewijzen dat de uitvoering van de overeenkomst onmogelijk is geworden (zoals in het geval van overmacht) of dat de wederpartij zelf een fout heeft begaan.  Het zal niet volstaan een winstderving of hogere kosten dan verwacht aan te voeren.
  2. In de tweede plaats moet er sprake zijn van een verandering die onvoorzienbaar was bij de contractsluiting. Deze onvoorziene verandering moet worden beoordeeld met inachtneming van hetgeen de partijen redelijkerwijs konden verwachten. In B2C-relaties bestaat het risico dat men veeleisender is ten aanzien van de beroepsbeoefenaar, die wellicht beter in staat wordt geacht de aan zijn activiteit verbonden risico's in te schatten, terwijl men omgekeerd toegeeflijker kan zijn ten aanzien van de consument, die vaak weinig speelruimte heeft om over de voorwaarden van het contract te onderhandelen.
  3. Uiteraard mag de wijziging niet toerekenbaar zijn aan de schuldenaar die zich erop beroept.
  4. De schuldenaar mag het risico in kwestie niet voor zijn rekening genomen hebben. De aanvaarding van het risico door de schuldenaar kan impliciet zijn en voortvloeien uit de aard zelf van het contract (speculatieve transactie, willekeurig contract, enz.) of kan expliciet zijn en voortvloeien uit een verklaring van afstand om alle of een deel van de mogelijke veranderingen in omstandigheden in te roepen.
  5. Ten slotte mag de wet of het contract niet hebben uitgesloten dat op dit mechanisme een beroep kan worden gedaan. Aangezien dit een suppletieve regel is, kunnen de partijen dus volledig aan verzaken aan de imprevisieleer of de toepassing ervan beperken.

Deze laatste twee punten onderstrepen het belang om de nodige aandacht te besteden aan het opstellen van contracten. Sommige clausules zouden inderdaad kunnen worden uitgelegd als een beperking van de mogelijkheid om een beroep te doen op onvoorziene omstandigheden.

 

Welke gevolgen?

De schuldenaar die meent zich op de verandering van omstandigheden te mogen beroepen, moet zich eerst tot zijn schuldeiser wenden en hem verzoeken opnieuw over het contract te onderhandelen om het aan de nieuwe omstandigheden aan te passen, dan wel het te ontbinden.

Indien de schuldeiser weigert te onderhandelen, bijvoorbeeld omdat hij betwist dat aan de voorwaarden voor het inroepen van verandering van omstandigheden is voldaan, of indien de onderhandelingen niet binnen een redelijke termijn worden afgesloten, kunnen beide partijen de rechter om een vonnis in kortgeding verzoeken. Het is mogelijk dat de rechter het contract moet aanpassen om het in overeenstemming te brengen met hetgeen de partijen, gelet op de verandering van omstandigheden, redelijkerwijs zouden zijn overeengekomen. De rechter kan ook besluiten de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden.

Opgelet, een beroep op verandering van omstandigheden heeft geen schorsende werking. De overeenkomst moet tijdens de heronderhandelingen en de gerechtelijke fase verder worden uitgevoerd.

Kortom, na twee jaar pandemie en in een tijd waarin de energieprijzen alle aandacht krijgen, lijkt de invoering van de imprevisieleer het Burgerlijk Wetboek een doeltreffend instrument te verschaffen om overeenkomsten die voor een van de partijen onredelijk bezwarend zijn geworden, bij te sturen. De doeltreffendheid van dit instrument zal echter in grote mate afhangen, niet alleen van de specifieke omstandigheden, maar ook van de wijze waarop de contracten, waarop het moet worden toegepast, zijn opgesteld.

 

Ander nieuws

Van de andere vernieuwingen die door Boek 5 BW zijn ingevoerd, willen wij de volgende bepalingen onder de aandacht te brengen:

Schadebedingen (vroeger ‘boetebedingen’ genoemd): de bedingen die de schuldeiser vrijstellen van de verplichting om de omvang van zijn schade te bewijzen, zijn zeer wijdverbreid. Ze zijn onderworpen aan een nieuwe regeling, waarvan de belangrijkste ontwikkeling betrekking heeft op het criterium dat de rechter voortaan zal moeten hanteren om het bedrag te matigen (d.w.z. het kennelijk onredelijke karakter van het beding, rekening houdend met de schade en alle andere omstandigheden).

Vroegtijdige ontbinding: een overeenkomst kan nu worden ontbonden (door een rechterlijke beslissing, uit de toepassing van een uitdrukkeiljk ontbindend beding of uit een kennisgeving van de schuldeiser aan de schuldenaar), niet alleen in geval van ernstige niet-nakoming door een partij van haar verplichtingen (zoals het geval was onder het oude Burgerlijk Wetboek), maar ook wanneer het duidelijk is dat de schuldenaar niet tijdig zal nakomen. Een dergelijke ontbinding is echter onderworpen aan bepaalde voorwaarden (bestaan van uitzonderlijke omstandigheden, voorafgaande aanmanig van de schuldenaar, voldoende ernstige gevolgen voor de schuldeiser).

Exceptie van niet-uitvoering: onder soortgelijke voorwaarden kan de schuldeiser de nakoming van zijn verplichtingen ook opschorten wanneer het duidelijk is dat de schuldenaar zijn verbintenisssen niet tijdig zal uitvoeren.

Prijsvermindering: dit is een nieuwe sanctie. Wanneer de niet-nakoming niet ernstig genoeg is om de ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen, kan de schuldeiser de rechter (of de schuldenaar) verzoeken om een vermindering van de prijs. De prijsvermindering moet evenredig zijn aan het verschil, op het tijdstip van de contractsluiting, tussen de waarde van de ontvangen prestatie en de waarde van de overeengekomen prestatie.