Vlaamse steden & gemeenten in 2025: minder investeringen, meer leningsschuld

Financiële druk op lokale besturen neemt verder toe

Benchmark Steden & Gemeente 2026
De Vlaamse lokale besturen investeerden in 2025 samen 2,67 miljard euro, 135 miljoen euro of 5% minder dan een jaar eerder. Tegelijk steeg hun gezamenlijke uitstaande leningsschuld met 337 miljoen euro of 4% tot 8,66 miljard euro. Dat blijkt uit een analyse van BDO Belgium van de jaarrekeningen van 282 van de 285 Vlaamse steden en gemeenten. De beschikbare middelen bleven nagenoeg stabiel, maar de autofinancieringsmarge daalde en slechts 45% van de geplande investeringen werd uitgevoerd. “De cijfers tonen nog altijd een aanvaardbaar resultaat, maar de combinatie van minder investeringen en een hogere leningsschuld verhoogt de druk op de gemeentefinanciën”, aldus Bert Gijsels, partner BDO Public Sector.

 

Beschikbare middelen blijven stabiel 

Naar jaarlijkse gewoonte nam BDO Belgium de jaarrekeningen van de Vlaamse lokale besturen onder de loep. Hun gecumuleerd budgettair resultaat - de beschikbare middelen, zeg maar - bedroeg in 2025 samen 3,485 miljard euro. Dat is 0,3% meer dan in 2024. Per inwoner daalde het resultaat wel licht, van 513 naar 511 euro. West-Vlaanderen noteerde met 742 euro per inwoner het hoogste resultaat, Antwerpen met 341 euro het laagste. Negen besturen sloten het jaar af met een negatief gecumuleerd budgettair resultaat, tegenover zeven in 2024. 

Minder ruimte om investeringen zelf te financieren 

De autofinancieringsmarge daalde met 3% tot 1,507 miljard euro. Per Vlaming gaat het om 221 euro, tegenover 230 euro in 2024. Dat bedrag geeft aan hoeveel een lokaal bestuur vanuit zijn gewone werking kan investeren zonder externe financiering. Antwerpen heeft met 322 euro per inwoner de hoogste autofinancieringsmarge, Oost-Vlaanderen met 126 euro de laagste. Zeven besturen registreerden een negatieve autofinancieringsmarge, evenveel als een jaar eerder. 

De daling betekent dat de lokale besturen minder ruimte hebben om investeringen uit eigen middelen te financieren. Net nu er grote investeringsnoden aankomen, is dat een belangrijk aandachtspunt.

Bert Gijsels

Laagste investeringsrealisatie van het meerjarenplan 

De lokale besturen investeerden in 2025 samen 2,674 miljard euro in materiële en immateriële vaste activa. Dat is 5% of 135 miljoen euro minder dan in 2024. Per inwoner daalden de investeringen van 412 naar 395 euro. De gemiddelde realisatiegraad - het aandeel van het investeringsbudget dat daadwerkelijk werd uitgevoerd - zakte tot 45%, het laagste peil van het meerjarenplan 2020-2025. Bij 139 besturen werd minder dan de helft van het geplande investeringsbudget gerealiseerd. 

Verkiezingsjaar verklaart vertraging slechts gedeeltelijk 

De lagere realisatiegraad houdt volgens BDO mede verband met de lokale verkiezingen van 2024 en de overgang naar het nieuwe meerjarenplan 2026-2031. Toch blijft de uitvoering van investeringen een structureel werkpunt. “Niet-uitgevoerde projecten verdwijnen niet noodzakelijk van de agenda. Uitstel kan op termijn wegen op het beheer van het gemeentelijk patrimonium, terwijl lokale besturen tegelijk moeten investeren in onder meer klimaatneutrale gebouwen, duurzaamheid en digitalisering”, zegt Bert Gijsels. 

Leningsschuld stijgt in alle provincies 

Ondanks de lagere investeringsuitgaven steeg de openstaande leningsschuld van de Vlaamse lokale besturen met 337 miljoen euro of 4% tot 8,658 miljard euro. Per inwoner nam de schuld toe met 42 euro tot 1.271 euro. De stijging deed zich voor in alle provincies en was het grootst in Vlaams-Brabant (+6%) en het kleinst in Antwerpen (+1%). Oost-Vlaanderen heeft met 1.653 euro per inwoner de hoogste leningsschuld, Antwerpen met 926 euro de laagste. In totaal hebben 131 besturen een schuld van meer dan 1.000 euro per inwoner; bij 31 van hen loopt die op tot meer dan 2.000 euro per inwoner. 

Meeste besturen blijven voldoende liquide

De gemiddelde liquiditeitsratio bleef met 2,41 nagenoeg stabiel. Bij 256 besturen ligt die boven 1, wat betekent dat ze hun kortlopende verplichtingen in principe kunnen dekken met hun beschikbare middelen en kortlopende vorderingen. Voor 29 besturen ligt de ratio onder 1. Bij 68 besturen bedraagt ze meer dan 3, wat erop kan wijzen dat beschikbare middelen niet optimaal worden ingezet. “Een gezond financieel beheer blijft cruciaal”, besluit Bert Gijsels. “De pensioenfactuur, de beperking van de werkloosheid in de tijd, de impact van het federale regeerakkoord op de personenbelasting en de noodzakelijke verduurzaming van het patrimonium zullen de komende jaren druk blijven zetten op de gemeentelijke budgetten. Tegelijk zullen lokale besturen hun investeringsplannen moeten doorzetten én hun uitvoeringscapaciteit versterken en dat wordt een flinke evenwichtsoefening.” 

Vragen over de resultaten van je lokaal bestuur?

Heb je vragen over de benchmarkstudie of het evolutierapport?

Neem dan gerust contact op met Bert Gijsels, Partner & Industry Lead BDO Public Sector of met een van onze Public Sector experten.