Kerncijfers vennootschapsbelasting: Liquidatiereserves

Een kleine of middelgrote onderneming (KMO) kan liquidatiereserves aanleggen. Deze reserves bieden een fiscaal voordeel bij latere uitkering of bij liquidatie.

  Liquidatiereserves (oud en nieuw stelsel)
Datum van aanleg uiterlijk op 30 december 2025 vanaf 31 december 2025
Percentage Aanleg: bijdrage van 10%

Uitkering:
- vóór 3 jaar: 20%
- tussen 3 en 5 jaar: 6,5%
- na 5 jaar: 5%
- bij liquidatie: 0%
Aanleg: bijdrage van 10%

Uitkering:
- vóór 3 jaar: 30%
- na 3 jaar: 9,8%
- bij liquidatie: 0%


KMO's hebben de mogelijkheid om hun winst na belastingen toe te wijzen aan een liquidatiereserve. Bij deze toewijzing is een afzonderlijke bijdrage verschuldigd ten belope van 10% van de gevormde reserve.

Bij de latere uitkering van deze liquidatiereserve is een aanvullende roerende voorheffing verschuldigd, waarvan het tarief wordt bepaald op het moment van de uitkering:

  • Als de liquidatiereserve na ten minste drie jaar wordt uitgekeerd, geldt een verlaagd tarief van 9,8%;
  • Als de liquidatiereserve vóór het verstrijken van de periode van drie jaar wordt uitgekeerd, bedraagt het tarief 30%;
  • Als de liquidatiereserve pas bij de liquidatie van de vennootschap wordt uitgekeerd, is er geen aanvullende roerende voorheffing verschuldigd.


De oude regeling blijft echter van toepassing indien de liquidatiereserve uiterlijk op 30 december 2025 is gevormd.

  • Als de liquidatiereserve uiterlijk op 30 december 2025 is gevormd, blijft het tarief 5% indien de wachttijd van 5 jaar in acht wordt genomen;
  • Als een wachttijd van 3 jaar wordt nageleefd, bedraagt het tarief 6,5%;
  • Bij een wachttijd van minder dan 3 jaar blijft het tarief 20%.
Sinds 1 juli 2026 geldt voor de belastingvrije uitkering van liquidatiereserves bij liquidatie van een vennootschap wel een belangrijke uitzondering. Indien de begunstigde van de uitkering binnen de drie jaar na de liquidatie, rechtstreeks of onrechtstreeks, de functie van bedrijfsleider opneemt in een vennootschap met dezelfde of gelijkaardige activiteiten als de vereffende vennootschap, wordt de uitkering alsnog belast als roerend inkomen in het jaar waarin dit zich voor het eerst voordoet. De belastingplichtige kan dit vermijden door aan te tonen dat deze beslissing hoofdzakelijk door andere motieven dan het verkrijgen van dit fiscaal voordeel is ingegeven.