Verruimde toepassing GN-regel 2(a): deelzendingen kunnen als volledig product worden ingedeeld
Verruimde toepassing GN-regel 2(a): deelzendingen kunnen als volledig product worden ingedeeld
Op 7 oktober 2026 heeft het Gerecht van de Europese Unie een belangrijk prejudicieel arrest gewezen over de tariefindeling van goederen die in onderdelen worden ingevoerd. Het arrest heeft potentieel verstrekkende gevolgen voor ondernemingen die werken met gefaseerde invoer van onderdelen en assemblageactiviteiten binnen de Europese Unie.
Achtergrond
De zaak betreft een Belgische onderneming, die na de invoering van antidumping- en compenserende rechten op elektrische fietsen van oorsprong uit China geen complete fietsen meer invoerde, maar afzonderlijke onderdelen zoals frames, vorken, motoren en andere componenten.Volgens de Belgische douane en het Europees Openbaar Ministerie vormden deze onderdelen in werkelijkheid complete elektrische fietsen in gedemonteerde staat. Hierdoor zouden niet enkel de normale invoerrechten, maar ook antidumping- en compenserende rechten verschuldigd zijn.
De centrale vraag was of regel 2(a) van de algemene regels voor de interpretatie van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) ook kan worden toegepast wanneer onderdelen niet gelijktijdig worden ingevoerd, maar verspreid over meerdere zendingen en meerdere maanden.
Wat heeft het Gerecht beslist?
Het Gerecht bevestigt dat onderdelen van een product ook als een volledig product in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat kunnen worden beschouwd wanneer zij niet gelijktijdig worden ingevoerd.
Volgens het Gerecht is de vraag niet of de onderdelen op hetzelfde tijdstip bij de douane worden aangeboden, maar of uit objectieve elementen blijkt dat zij:
-
een geheel vormen;
-
alle essentiële bestanddelen van het eindproduct bevatten;
-
bestemd zijn om te worden geassembleerd tot één afgewerkt product.
De enkele omstandigheid dat invoeraangiften verspreid over verschillende weken of maanden worden ingediend, verhindert volgens het Gerecht dus niet dat de goederen als één geheel worden beschouwd.
Breuk met de visie van de advocaat-generaal
Het arrest is opmerkelijk omdat het Gerecht uitdrukkelijk afwijkt van de conclusie van advocaat-generaal Martín y Pérez de Nanclares. De advocaat-generaal was van oordeel dat uit de bestaande rechtspraak volgde dat onderdelen in beginsel gelijktijdig moesten worden aangeboden om als een gedemonteerd goed te kunnen worden aangemerkt. Het Gerecht volgt deze analyse niet. Volgens het arrest bevatten regel 2(a) noch de bewoordingen van de GN een vereiste van gelijktijdige aanbieding.
Bovendien leidt het Gerecht uit aanvullende aantekening 3 van afdeling XVI en aanvullende aantekening 2 van afdeling XVII af dat het Unierecht zelf erkent dat bepaalde goederen in deelzendingen kunnen worden ingevoerd zonder dat daardoor de toepassing van regel 2(a) verloren gaat.
Het belang van objectieve elementen
Een belangrijk onderdeel van het arrest betreft de beoordeling van de feiten. Het Gerecht verwijst naar verschillende objectieve elementen die erop kunnen wijzen dat meerdere invoeren in werkelijkheid betrekking hebben op één compleet product:
-
dezelfde geadresseerde;
-
dezelfde douanevertegenwoordiger;
-
hetzelfde douanekantoor;
-
onderdelen die overeenstemmen met een bepaald aantal afgewerkte producten;
-
facturen met dezelfde referentienummers;
-
het stopzetten van de invoer van complete producten;
-
de uiteindelijke verkoop als volledig afgewerkt product.
De nationale rechter moet op basis van deze objectieve omstandigheden beoordelen of de betrokken onderdelen één geheel vormen.
Bestrijding van kunstmatige opsplitsing
Een belangrijke overweging van het Gerecht is het vermijden dat ondernemingen door een relatief eenvoudige ingreep zelf de tariefindeling kunnen bepalen. Onder verwijzing naar het arrest X en Inspecteur van de Belastingdienst/Douane benadrukt het Gerecht dat importeurs anders zelf zouden kunnen kiezen of goederen als één geheel dan wel als afzonderlijke onderdelen worden behandeld, afhankelijk van wat fiscaal of douanetechnisch het voordeligst is.
Het Gerecht kiest daarom voor een economische benadering waarbij de objectieve realiteit voorrang krijgt op de formele structuur van de invoertransactie.
Potentiële impact voor ondernemingen
Hoewel de procedure betrekking heeft op elektrische fietsen, kan de impact van het arrest veel ruimer zijn. Het arrest kan met name relevant zijn voor ondernemingen die werken met:
-
CKD- en SKD-structuren;
-
assemblageactiviteiten binnen de EU;
-
invoer van machineonderdelen;
-
automotive supply chains;
-
industriële installaties;
-
elektronische apparatuur;
-
andere producten die via verschillende leveranciers en zendingen worden aangevoerd.
Voortaan zal de douane zich mogelijk vaker beroepen op dit arrest om verschillende invoerstromen samen te beoordelen wanneer die economisch één geheel vormen.
Onze visie
Met dit arrest kiest het Gerecht van de Europese Unie duidelijk voor een economische benadering van de tariefindeling. De formele opsplitsing van invoeren over meerdere zendingen vormt op zich geen bescherming meer tegen een indeling als volledig product.
Voor ondernemingen betekent dit dat de douane steeds vaker zal kijken naar de samenhang tussen verschillende invoerstromen en naar de uiteindelijke bestemming van de ingevoerde onderdelen. Bedrijven die werken met onderdeleninvoer doen er daarom goed aan hun supply chain, contractstructuur, facturatie en assemblageprocessen kritisch te evalueren. Indien de tariefindeling vatbaar is voor betwisting, dient een Bindende Tariefinlichting (BTI) te worden aangevraagd, waarbij volledige transparantie over het invoermodel moet worden meegedeeld. Daarnaast is het aangewezen te documenteren dat de activiteiten na de invoer verder gaan dan loutere assemblage en/of dat de ingevoerde goederen daadwerkelijk als onderdelen worden gebruikt.
Voor douanevertegenwoordigers is het belangrijk om een controle uit te voeren op de door importeurs meegedeelde tariefindeling en deze te laten documenteren. Ze moeten daarbij bijzondere aandacht besteden aan klanten die overschakelen van de invoer van afgewerkte producten naar onderdelen wanneer de invoerrechten stijgen.
Voor beide partijen kan de potentiële financiële impact kan immers aanzienlijk zijn, zeker wanneer antidumping- of andere handelsbeschermingsmaatregelen van toepassing zijn.
Het arrest vormt zonder twijfel een belangrijke ontwikkeling binnen het Europese douanerecht en zal in de komende jaren vermoedelijk een belangrijke rol spelen bij controles en discussies over de indeling van onderdelen en assemblageprojecten.