Fiscale consolidatie: do's en don'ts bij de regeling voor intra-groepsoverdracht 

Collega’s van Tax Advisory die samen documenten doornemen
De hervorming van de vennootschapsbelasting uit 2017 introduceerde een beperkte vorm van fiscale consolidatie in België: de regeling van de intra-groepsoverdracht. Sinds maart 2025 heeft een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie de kaarten herschud op het vlak van de DBI-aftrek. Een overzicht van het mechanisme en de recente ontwikkelingen.  
 

Overdracht van winsten

Bij een intra-groepsoverdracht draait alles om het volgende principe: een winstgevende vennootschap binnen een groep kan (een deel van) haar winst overdragen aan een andere vennootschap van dezelfde groep die verlies heeft geleden tijdens hetzelfde aanslagjaar. De overgedragen winst noemen we de “intra-groepsoverdracht”. De overdragende vennootschap kan het betrokken bedrag aftrekken van haar belastbaar resultaat, terwijl de verlieslatende vennootschap de ontvangen overdracht opneemt in haar belastbaar resultaat.  

Het doel? De winstgevende onderneming betaalt minder belastingen en de verlieslatende onderneming draagt geen (of minder) verliezen over naar het volgende boekjaar. 

Let op: de regeling voor intra-groepsoverdracht laat enkel compensatie van fiscale verliezen toe tijdens het belastbaar tijdperk waarvoor een overeenkomst van intra-groepsoverdracht werd gesloten (zie kader).   

“De intra-groepsoverdracht levert de winstgevende vennootschap geen besparing op.” 

Tegenprestatie

Elke overdracht binnen een groep vereist een tegenprestatie. De winstgevende vennootschap moet een vergoeding betalen aan de verlieslatende vennootschap (een loutere schuldboeking zonder effectieve betaling volstaat niet). Die vergoeding moet gelijk zijn aan het bedrag aan belastingen dat de winstgevende vennootschap dankzij de operatie heeft bespaard. 

Met andere woorden: de intra-groepsoverdracht levert de winstgevende vennootschap geen besparing op. Het voordeel situeert zich op groepsniveau. Het bespaarde belastingbedrag blijft immers binnen de groep (de verlieslatende vennootschap ontvangt de vergoeding) en wordt niet afgeroomd door de fiscus. 

Beperkte consolidatie

In tegenstelling tot een volledige fiscale consolidatie kunnen verbonden vennootschappen onder de regeling voor intra-groepsoverdrachten geen gezamenlijke aangifte indienen en worden ze ook niet als één vennootschap belast. De regeling creëert enkel de mogelijkheid om de belastbare grondslag te verschuiven tussen vennootschappen van dezelfde groep. Fiscaal gezien dient elke vennootschap haar eigen aangifte in en wordt ze apart belast.  

Wie komt in aanmerking?

De vennootschappen (of vestigingen) moeten verbonden zijn om aanspraak te kunnen maken op de intra-groepsoverdracht. Concreet moeten ze als moeder-, dochter- of zustervennootschappen beschouwd worden gedurende een ononderbroken periode van 5 jaar, met een deelnemingsvereiste van minstens 90 %.  

Zowel Belgische als buitenlandse vennootschappen, alsook Belgische vestigingen van buitenlandse vennootschappen binnen de Europese Economische Ruimte (EER), komen in aanmerking voor de regeling. 

De wetgever heeft wel een aantal belangrijke beperkingen en uitzonderingen ingevoerd: 

  • De regeling is enkel van toepassing tussen verbonden vennootschappen met een voldoende deelneming. Daaronder verstaan we:    
    • een moeder-dochterrelatie waarbij minstens 90 % van de aandelen van de dochtervennootschap rechtstreeks door de moedervennootschap worden aangehouden; 
    • zustervennootschappen waarvan de gemeenschappelijke moedervennootschap gevestigd is in de EER en rechtstreeks minstens 90 % van de aandelen bezit. Als meerdere vennootschappen volledig in handen zijn van een natuurlijk persoon, worden ze niet als verbonden zustervennootschappen beschouwd.  
  • De vereiste deelneming moet bestaan gedurende een ononderbroken periode van minstens 5 jaar. Die periode vangt aan op 1 januari van het vierde kalenderjaar vóór het kalenderjaar dat het aanslagjaar aanduidt.   
    • Voorbeeld: een intra-groepsoverdracht voor boekjaar 2025 (aanslagjaar 2026) veronderstelt een ononderbroken deelneming van 90 % van 01/01/2022 tot 31/12/2026. 
  • Vennootschappen die een onroerend goed (of een ander zakelijk recht op zo'n goed) ter beschikking stellen van hun bedrijfsleiders, zijn uitdrukkelijk uitgesloten van de regeling.  
  • De winsten van een ingezeten vennootschap kunnen de definitieve beroepsverliezen van een buitenlandse groepsvennootschap compenseren, op voorwaarde dat:   
    • de buitenlandse vennootschap gevestigd is in de EER en niet onderworpen is aan een fiscaal stelsel dat afwijkt van het gemeen fiscaal recht; 
    • de buitenlandse vennootschap haar activiteiten definitief heeft gestaakt en die activiteiten niet worden overgenomen door een andere groepsvennootschap binnen 3 jaar na de stopzetting;
    • een overeenkomst van intra-groepsoverdracht wordt gesloten met de buitenlandse vennootschap. Het bedrag van de intra-groepsoverdracht in die overeenkomst mag niet hoger zijn dan het beroepsverlies dat de buitenlandse vennootschap heeft geleden tijdens het belastbaar tijdperk waarin de activiteiten definitief werden gestaakt. Als dat verlies, bepaald volgens de Belgische fiscale wetgeving, geheel of gedeeltelijk werd afgetrokken door de buitenlandse vennootschap of door een andere persoon, wordt het beperkt tot het niet-afgetrokken gedeelte.  

Aangifte

De winstgevende vennootschap moet de overeenkomst van intra-groepsoverdracht (formulier 275 CTIG) bij haar aangifte in de vennootschapsbelasting voegen om de aftrek te verkrijgen. Willen vennootschappen de intra-groepsoverdracht toepassen gedurende meerdere opeenvolgende aanslagjaren, dan moeten ze voor elk aanslagjaar een nieuwe overeenkomst sluiten die aan de voorwaarden voldoet. 

Het feit dat de boekjaren van de betrokken vennootschappen dezelfde periode bestrijken, speelt geen rol. De enige vereiste is dat de overdrachtsovereenkomst betrekking moet hebben op eenzelfde aanslagjaar. De wet preciseert niet wanneer de overeenkomst gesloten moet worden, maar logischerwijs zou dat moeten gebeuren vóór het indienen van de aangifte in de vennootschapsbelasting.  

Nieuw: fiscale consolidatie en DBI-aftrek

De regeling van de definitief belaste inkomsten (DBI), die voortvloeit uit de Europese Richtlijn 2011/96/EU (de zogenaamde « moeder-dochterrichtlijn ») van 30 november 2011, wil de fiscale neutraliteit van dividenduitkeringen tussen een moedervennootschap en haar dochterondernemingen binnen de Europese Unie waarborgen. 

Tot voor kort verbood het Wetboek van de inkomstenbelastingen de aftrek van DBI op het bedrag van de intra-groepsoverdracht dat een vennootschap ontving. Het gevolg: de vrijstelling van dividenden zoals voorzien door de Richtlijn werd niet volledig bereikt en de moedervennootschap werd indirect belast op de ontvangen dividenden. 

In zijn arrest van 13 maart 2025 (C-135/24) oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie dat deze Belgische fiscale bepaling in strijd was met het Europees recht.

Naar aanleiding van die veroordeling heeft de wet van 18 december 2025 artikel 206/3 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen aangepast. Het verbod om DBI te verrekenen met het aandeel in de belastbare grondslag ontvangen via de intra-groepsoverdracht is nu opgeheven. Concreet kan de DBI-aftrek voortaan worden toegepast op het deel van de overdracht dat het negatieve resultaat overschrijdt, vastgesteld vóór de opname van de overdracht. 

Retroactieve werking

Hoewel de wet op 18 december 2025 werd afgekondigd en op 30 december 2025 in het Belgisch Staatsblad verscheen, kan de regeling al worden toegepast op eerdere aanslagjaren. De basis daarvoor is het arrest van het HvJ-EU. De moeder-dochterrichtlijn heeft immers rechtstreekse werking in het Belgisch recht: een nationale bepaling die strijdig is met het Europees recht moet buiten toepassing worden gelaten. 

De memorie van toelichting bij de wet van 18 december 2025 bevestigt dit: door de retroactieve werking van het arrest heeft de wetswijziging de facto al uitwerking. Een specifieke inwerkingtredingsbepaling werd dan ook niet nodig geacht. 

Wat kan je concreet doen?

Heeft een vennootschap binnen je groep tijdens een vorig belastbaar tijdperk DBI overgedragen, terwijl een andere vennootschap een belastbare grondslag had? Dan is het mogelijk om de situatie recht te zetten. Je kan bijvoorbeeld een bezwaarschrift indienen binnen het jaar na verzending van het aanslagbiljet van het betrokken aanslagjaar.  

Is die termijn verstreken? Dan blijft een verzoek tot ambtshalve ontheffing mogelijk tot vijf jaar na 1 januari van het jaar waarin de belasting werd gevestigd. In 2026 kan je dus nog een verzoek indienen voor aanslagbiljetten ontvangen in 2022.

Optimaliseer de fiscaliteit op groepsniveau

Onze experts begeleiden je bij de invoering en regularisatie van de intra-groepsoverdracht.

Veelgestelde vragen

De intra-groepsoverdracht is een vorm van fiscale consolidatie. Een winstgevende vennootschap binnen een groep kan een deel van haar winst overdragen aan een andere vennootschap van dezelfde groep die verlies heeft geleden tijdens hetzelfde aanslagjaar. De winstgevende vennootschap verlaagt zo haar belastbare grondslag, terwijl de verlieslatende vennootschap het ontvangen bedrag opneemt in haar resultaat. 

De vennootschappen moeten verbonden zijn via een rechtstreekse deelneming van minstens 90 % (moeder-dochterrelatie of zustervennootschappen). Die deelneming moet ononderbroken bestaan gedurende minstens 5 jaar. Vennootschappen die een onroerend goed ter beschikking stellen van hun bedrijfsleiders, zijn uitgesloten van de regeling. 

De betrokken vennootschappen moeten voor elk aanslagjaar een overeenkomst sluiten. Die bepaalt het bedrag van de overdracht en de verbintenissen van beide partijen. De winstgevende vennootschap moet de overeenkomst (formulier 275 CTIG) bij haar aangifte in de vennootschapsbelasting voegen. 

Nee. De winstgevende vennootschap moet aan de verlieslatende vennootschap een vergoeding betalen die gelijk is aan de bespaarde belasting. Het voordeel situeert zich op groepsniveau: het bedrag dat anders naar de belastingadministratie zou gaan, blijft binnen de groep. 

Voorheen verbood de Belgische fiscale wetgeving dit. Het Hof van Justitie van de EU oordeelde dat dit verbod in strijd was met het Europees recht (moeder-dochterrichtlijn). De wet van 18 december 2025 heeft de Belgische wetgeving aangepast. De DBI-aftrek kan voortaan worden toegepast op het deel van de ontvangen intra-groepsoverdracht. 

Ja. De moeder-dochterrichtlijn heeft rechtstreekse werking in het Belgisch recht. De strijdige nationale bepaling moet dus buiten toepassing worden gelaten, ook voor aanslagjaren vóór de wet van 18 december 2025. Een bezwaarschrift of verzoek tot ambtshalve ontheffing is mogelijk om eerdere aanslagjaren te regulariseren, binnen de wettelijke termijnen.  

Je beschikt over een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting werd gevestigd. In 2026 kan je dus nog een verzoek indienen voor aanslagbiljetten ontvangen in 2022. 

Ja, maar uitsluitend om de definitieve beroepsverliezen van een buitenlandse vennootschap binnen de EER te compenseren. De buitenlandse vennootschap moet haar activiteiten definitief hebben gestaakt en die activiteiten mogen niet worden overgenomen door een andere groepsvennootschap binnen 3 jaar.