Waarom Belgische start-ups zelden uitgroeien tot echte scale-ups

AMS
Door Robin De Cock, Professor Innovatie en Ondernemerschap 

België zit vol ondernemingszin. Elk jaar komen er duizenden nieuwe bedrijven bij, en dat aantal blijft stijgen. Toch groeit maar een klein deel door tot scale-ups, het type bedrijf dat extra jobs creëert. Volgens cijfers van de Nationale Bank zijn snelgroeiende bedrijven in ons land goed voor slechts 5% van de werkgelegenheid, ongeveer de helft van het Europese gemiddelde. Waarom slagen zo weinig Belgische start-ups erin om de volgende fase te bereiken? 

In 2025 schreven ruim 130.000 nieuwe ondernemingen zich in bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO). Dat is het hoogste aantal van de voorbije tien jaar. Toch blijven veel van die ondernemingen hangen op een vergelijkbaar niveau, zonder door te groeien tot scale-up. In hun eerste jaren groeit het personeelsbestand van een nieuw Belgisch bedrijf gemiddeld met slechts 46%, terwijl dat in Frankrijk oploopt tot 150%. En bij jonge groeibedrijven, de zogenaamde “gazelles”, zakt dat aandeel zelfs naar 0,2%, tegenover 0,7% in Europa. 

Aan ondernemerschap dus geen gebrek. België brengt voldoende ondernemingen voort. De echte uitdaging ligt in wat daarna komt: waarom slagen zo weinig bedrijven erin om op te schalen? 

Serieel ondernemerschap loont

De aanpak die een bedrijf groot maakte in de beginfase, is zelden de aanpak die ze naar de volgende fase brengt. Opschalen vraagt andere keuzes, andere structuren en vaak ook andere vaardigheden. Wat werkt voor een klein team, knelt al snel op grotere schaal. Net daar loopt het vaak vast, omdat ondernemers terugvallen op wat hen vertrouwd is. 

Ervaring maakt hier een groot verschil. Ondernemers die al eens een bedrijf hebben opgeschaald, weten beter hoe ze investeerders overtuigen en groei organiseren, maar die groep blijft nog relatief beperkt in België. Meer uitwisseling tussen ervaren founders en nieuwe ondernemers kan hier het verschil maken. 

Voorbij zaaikapitaal

Financiering in de beginfase van een bedrijf is steeds minder een probleem. Een groeiend aantal durfkapitalisten en zaaifondsen investeren relatief vroeg, zoals Syndicate One, 100IN of Pitchdrive en topacceleratoren die hun eigen fund hebben (Start it KBC, imec istart). De knoop zit verderop. Zodra bedrijven willen doorgroeien, wordt kapitaal schaarser, gezien ons beleid vaak focust op het stimuleren van nieuwe bedrijven, en veel minder op hun groei. 

Dit is trouwens niet enkel een Belgisch probleem. Ook op Europeese schaal blijft groeifinanciering een structurele zwakte. Volgens de Europese Commissie gaat slechts 5% van het wereldwijd opgehaalde durfkapitaal naar de EU, tegenover 52% naar de Verenigde Staten en 40% naar China. Aan kapitaal zelf is er nochtans geen tekort. De uitdaging is dat spaargeld, institutioneel vermogen en pensioenmiddelen onvoldoende doorstromen naar productieve investeringen in Europese groeibedrijven

Het recente Rapport Wennink, opgesteld door voormalig ASML-CEO Peter Wennink, maakt die spanning concreet. Nederlandse pensioenfondsen beleggen aanzienlijk meer in Amerikaanse dan in Europese niet-financiële bedrijven: eind 2024 ging het om €293 miljard in Amerikaanse ondernemingen tegenover €97 miljard in Europese ondernemingen. Dat is deels logisch, omdat Amerikaanse markten groter en rendabeler zijn. Maar het illustreert wel de kern van het probleem. Zolang Europa onvoldoende schaalt, rendement en investeerbare groeiproposities biedt, blijft Europees kapitaal vaak elders aan het werk. 

Van labo naar markt

België heeft sterke universiteiten en veelbelovend onderzoek, maar de stap naar de markt blijft moeilijk. Waardevolle technologie blijft te vaak binnen academische muren, terwijl minder vernieuwende ideeën sneller financiering krijgen. Die kloof heeft verschillende oorzaken. 

Onderzoekers kiezen niet altijd voor het risico van ondernemerschap, en samenwerking rond intellectuele eigendom verloopt soms complex. Terwijl net daar een mooie kans ligt. Door nauwer samen te werken tussen onderzoekers en ondernemers kan België meer deep techbedrijven laten groeien en zo een nieuwe generatie scale-ups creëren.  

Hoe dan wel?

België heeft alles in huis om een sterke innovatie-economie te bouwen. Volgens het European Innovation Scoreboard behoort ons land zelfs tot de kopgroep in Europa, met een plek in de top 6 van de EU en het label “Strong Innovator”. 

De uitdaging ligt dus niet in het gebrek aan talent, kennis of ondernemingszin, maar in doorgroeien. Als we erin slagen om ervaringen beter te delen, groeibedrijven gerichter te ondersteunen, kapitaalstromen sterker naar beloftevolle lokale bedrijven te leiden en innovatie sneller naar de markt te brengen, kan België uitgroeien tot een echte Europese scale-up hub.Dat vraagt durf, maar vooral de bereidheid om anders te kijken naar groei. 

En daar wringt het vaak. Zolang we scaling verwarren met simpelweg “meer groei”, blijven we voorbijgaan aan de vraag die er echt toe doet: hoe bouwen we bedrijven die niet alleen groter worden, maar ook sterker, internationaler en duurzamer schaalbaar? Tijd dus om een paar hardnekkige mythes over scaling tegen het licht te houden. 

Benieuwd welke mythes jouw groei in de weg staan?

Ontdek ze in ons nieuwe rapport "Debunking scaling myths", of neem een kijkje op onze pagina voor start-ups en scale-ups.