Naast de vermindering van de fiscale aftrek wordt nu ook bepaald dat de onderhoudsuitkeringen enkel in aftrek mogen worden gebracht op voorwaarde dat de begunstigde inwoner is van de Europese Economische Ruimte (EER) of Zwitserland. Bijgevolg is het niet langer mogelijk om een belastingvoordeel te genieten wanneer de onderhoudsgelden worden betaald aan een rijksinwoner van een land buiten de EER of Zwitserland.
Als er geen aftrek kan worden toegepast, zal de onderhoudsuitkering uiteraard ook niet belast kunnen worden in België bij de ontvanger.
De onderhoudsuitkeringen die aan een fiscaal inwoner van een EER-land en/of Zwitserland worden toegekend kunnen in België nog steeds belastbaar zijn voor 70% in 2025, 60% in 2026 en 50% vanaf 2027. Dit hangt allemaal af van de bepalingen in het dubbelbelastingverdrag (DBV) dat België heeft afgesloten met het land waar de ontvanger rijksinwoner is.
Sommige van deze verdragen bepalen namelijk dat onderhoudsuitkeringen betaald door een Belgische rijksinwoner aan een begunstigde in het andere land alleen in dat andere land belastbaar zijn. In dat geval blijven de onderhoudsuitkeringen aftrekbaar voor de betaler, maar is de ontvanger geen Belgische belasting verschuldigd. Er kunnen aanvullende voorwaarden (zoals het voorleggen van een woonplaatsverklaring voor de begunstigde of een bewijs van daadwerkelijke belastingheffing in het andere land) van toepassing zijn om een vrijstelling van belasting in België te verkrijgen.
Onderhoudsgelden die in België belastbaar zijn volgens de bepalingen van het dubbelbelastingverdrag en die betaald worden aan een belastingplichtige die rijksinwoner is van een EER-land of Zwitserland , zijn onderworpen aan een bronbelasting van 26,75% die door de schuldenaar van de onderhoudsgelden moet worden ingehouden en doorgestort. Deze bronbelasting wordt als definitief beschouwd en kan niet door de ontvanger worden teruggevorderd.
De beperking van de aftrek tot onderhoudsuitkeringen die worden betaald aan inwoners van de EER of van Zwitserland treedt in werking op de laatste dag van de maand waarin de wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, en is van toepassing op de belastbare tijdperken die na die datum eindigen.