Meerwaardebelasting: opt-in of opt-out?

De wet van 6 april 2026 heeft een algemene meerwaardebelasting op financiële activa ingevoerd binnen de personenbelasting en de rechtspersonenbelasting. Deze meerwaardebelasting is van kracht vanaf 1 januari 2026 en is van toepassing op de meerwaarden die gerealiseerd worden naar aanleiding van de overdracht onder bezwarende titel van financiële activa. Het betreft 3 soorten overdrachten: interne meerwaarden (1), meerwaarden over een aanmerkelijk belang (2) en restcategorie (3).  

Een algemeen tarief van 10% is van toepassing op alle meerwaarden met uitzondering van de interne meerwaarden en de meerwaarden over een aanmerking belang. Voor de transacties die via een Belgische tussenpersoon lopen voorziet de wet in 2 mogelijkheden: een automatische inhouding van de belasting via de financiële instelling op moment van realisatie (opt-in) of zelf de meerwaarde aangeven in de aangifte personenbelasting (opt-out).  


 

Opt–in: automatische inhouding aan de bron

Als er toepassing wordt gemaakt van het opt-in systeem zal de meerwaardebelasting automatisch worden ingehouden door de financiële instelling en worden doorgestort naar de belastingadministratie.  De doorstorting van de roerende voorheffing gebeurt op anonieme basis. De financiële instelling is in dit geval niet verplicht om de identiteit van de rekeninghouders en het bedrag van de gerealiseerd meerwaarde mee te delen aan de belastingadministratie. De inhouding is bevrijdend waardoor de betrokken meerwaarden niet meer gerapporteerd moet worden in de aangifte personenbelasting van de belastingplichtige.  

Echter zal de financiële instelling geen rekening houden met de jaarlijkse vrijstelling van de eerste schijf van €10.000 (die onder voorwaarden verhoogd kan zijn tot €15.000) van meerwaarden. Als de belastingplichtige hier toepassing wenst van te maken, zal de meerwaarde toch in de aangifte personenbelasting moeten worden gerapporteerd en zal de teveel betaalde belasting pas kunnen worden terug gevorderd na vestiging van het aanslagbiljet (wat vaak pas anderhalf tot 2 jaar na realisatie van de meerwaarde zal zijn). 

Daarbovenop worden minderwaarden die gedurende hetzelfde belastbare tijdperk worden gerealiseerd niet automatisch in rekening gebracht bij de bepaling van verschuldigde meerwaardebelasting door de financiële instelling. Ook wordt er geen rekening gehouden met de aanschaffingswaarde van de activa als deze hoger was dan de waarde van de activa op 31 december 2025. In deze beide gevallen dient er ook een correctie via de jaarlijkse aangifte personenbelasting te gebeuren. 

Door de retroactieve invoering van de meerwaardebelasting vanaf 1 januari 2026, was het voor de financiële instellingen niet mogelijk om de belastingen al in te houden vóór 1 juni 2026. Voor de meerwaarden die gerealiseerd werden tot en met 31 mei 2026 is er voorzien in een overgangsregeling. Hierbij kan de belastingplichtige de financiële instelling verzoeken om tegen een door haar bepaalde datum, en uiterlijk tegen 31 augustus 2026, een inhouding te verrichten die equivalent is aan de roerende voorheffing op de meerwaarde. 

Opt-out  

Wanneer de belastingplichtige ervoor kiest om een opt-out te doen, zal de financiële instelling geen roerende voorheffing inhouden op het moment waarop de meerwaarde wordt gerealiseerd. De financiële instelling zal op jaarbasis wel een overzicht van de gerealiseerde meerwaarden bezorgen aan de belastingadministratie. De belastingplichtige zal zelf verantwoordelijk zijn om de gerealiseerde meerwaarden te rapporteren in de aangifte personenbelasting en de belasting te betalen op het moment dat de aanslag gevestigd wordt.  

Bij de keuze voor de opt-out kan de voetvrijstelling van €10.000 (die onder voorwaarden verhoogd kan zijn tot €15.000) onmiddellijk worden toegepast alsook eventueel gerealiseerd minderwaarden kunnen in rekening worden gebracht voor het berekenen van de eventueel belastbare meerwaarde.   

Voor gezamenlijke rekeningen moeten alle rekeninghouders akkoord zijn om een opt-out toe te passen. Als dit niet het geval is, zal er standaard roerende voorheffing worden ingehouden. 

In principe moet de keuze voor de opt-out gemaakt worden op het moment van de opening van een rekening of op een datum bepaald door de schuldenaar en ten laatste voor de realisatie van de eerste meerwaarde op de rekening. 

Naast de overgangsregeling voor de inhouding en storting van de roerende voorheffing, wordt ook in een overgangsregeling voorzien voor de opt-out. Voor meerwaarden die verwezenlijkt worden vanaf 1 juni 2026 tot 31 augustus 2026 moet de belastingplichtige de keuze om een opt-out toe te passen kenbaar maken aan zijn financiële instelling tegen de datum door hen bepaalt en uiterlijk op 31 augustus 2026.   

Elke keuze voor een "opt-out" na bovenvermelde tijdstippen zal pas uitwerking hebben vanaf het daaropvolgende belastbaar tijdperk. 

Wat is nu de juiste keuze? 

De keuze tussen opt-in of opt-out zal afhangen van de persoonlijke situatie van de belastingplichtige. De opt‑in is meestal de beste optie voor wie administratieve eenvoud verkiest, terwijl een opt‑out interessant kan zijn voor wie de vrijstellingsregels en verrekening van minderwaarden wenst toe te passen en zelf de administratie en cashflow daarachter wil dragen. Bij opt-out is er namelijk geen voorfinanciering nodig van een belasting, die mogelijk niet verschuldigd is gelet op de vrijgestelde schrijf en eventuele minderwaarden. Echter zullen de financiële instellingen in dit geval wel een overzicht van de gerealiseerde meerwaarden aan de belastingadministratie bezorgen terwijl bij een opt-in de roerende voorheffing anoniem afgedragen wordt.  

Elke situatie is uniek en kan afhankelijk van de concrete omstandigheden een andere betere keuze vergen. 

Als je hulp nodig hebt bij het bepalen van de meest geschikte aanpak of als je meer informatie wenst, neem contact met de auteur van dit artikel of met je BDO contactpersoon.