Fiscale Maatregelen : Personenbelasting

Hieronder vindt u meer gedetailleerde informatie over onderwerpen die verband houden met de Fiscale Maatregelen : Personenbelasting.

Belangrijke kanttekening: Alleen de onderwerpen die groen gemarkeerd zijn zijn formeel goedgekeurd door de overheid. Alle andere onderwerpen zijn voorstellen en zijn nog niet geformaliseerd.
  • VVPR bis-regeling/liquidatiereserve

    VVPR bis-regeling


    Dividenden uitgekeerd door vennootschappen die 'klein' zijn kunnen onder bepaalde voorwaarden genieten van een verlaagde roerende voorheffing in plaats van het normale tarief van 30%. 

    Het gunstregime VVPR bis is enkel toepasselijk voor nieuwe aandelen die zijn uitgegeven vanaf 1 juli 2013, hetzij bij de oprichting van de vennootschap, hetzij bij een kapitaalverhoging. De aandelen moeten volledig volstort zijn en op naam staan. Behoudens enkele uitzonderingen mogen de aandelen na inbreng niet meer worden overgedragen.

    Mits alle voorwaarden zijn voldaan, voorziet het VVPR bis regime dat kleine vennootschappen voordelig dividenden kunnen uitkeren als volgt:
    -    Indien de uitkering plaatsvindt na een wachttijd van drie jaar tegen een tarief roerende voorheffing ad 20% en op voorwaarde dat de inbreng uiterlijk op 31 december 2025 heeft plaatsgevonden (Wet van 18 juli 2025, B.S., 29 juli 2025); 
    -    Wanneer het dividend pas na vier jaar of later wordt uitgekeerd, daalt het tarief verder naar 15%.

    De programmawet van 30 mei 2026 bepaalt dat het tarief van 15% verhoogd wordt tot 18% voor alle uitkeringen die plaatsvinden vanaf de eerste dag van de maand volgend op die van de publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad, en dit ongeacht de datum van de inbreng.

    Liquidatiereserve


    Kleine vennootschappen hebben ook de mogelijkheid om deel van hun belaste winst over te boeken naar een liquidatiereserve. Op het moment van deze boeking is er een anticipatieve heffing van 10%. 

    Bij latere uitkering van deze liquidatiereserve is er nog bijkomend roerende voorheffing verschuldigd, waarvan het tarief wordt bepaald door het moment van de uitkering dat als volgt zal worden vastgesteld:
    -    Voor reserves die uiterlijk op 30 december 2025 zijn gevormd, bedraagt het tarief 20%, 6,5% of 5% indien de uitkering plaatsvindt respectievelijk vóór het verstrijken van een termijn van 3 jaar, tussen 3 en 5 jaar of na 5 jaar;
    -    Voor reserves die vanaf 31 december 2025 worden gevormd, bedraagt het tarief 30 % of 9,8 % indien de uitkering respectievelijk plaatsvindt vóór of na het verstrijken van een termijn van 3 jaar. 

    De laatste wijzigingen die aangebracht werden door de programmawet van 18 juli 2025 zorgen voor een grotere harmonisatie tussen de twee regimes.

  • Carried interest

    Er wordt een specifiek en competitief carried interest regime ingevoerd om de fondsenactiviteit in België te stimuleren. Dit regime voorziet in een maximaal belastingtarief van 25% voor inkomsten uit roerende goederen en zal geen impact zal hebben op bestaande plannen. 

    Voor meer informatie verwijzen we naar onze gedetailleerde artikel

  • Effectentaks (Goedgekeurd bij wet van 30 mei 2026)

    De begrotingsovereenkomst voorziet in een verhoging van het effectenbelastingtarief. Het zou stijgen tot 0,30% voor effectenrekeningen met een gemiddelde waarde van meer dan €1.000.000. Daarnaast krijgen de belastingautoriteiten toegang tot het CAP voor de toepassing en monitoring van de effectenbelasting, met ingang van 1 december 2026. 

  • Auteursrechten (Goedgekeurd bij wet van 30 mei 2026)

    Inkomsten uit auteursrechten worden tot een bedrag van 77.220 euro (Geïndexeerd bedrag voor inkomstenjaar 2026) belast aan een gunstig tarief van 15% roerende voorheffing. Bovendien geldt momenteel een forfaitaire kostenaftrek die trapsgewijs wordt berekend:
    - 50% op de eerste schijf tot 20.590 euro
    - 25% op de volgende schijf van 20.590 euro tot 41.180 euro
    - geen aftrek op het gedeelte boven 41.180 euro

    De programmawet van 30 mei 2026 wijzigt dit fiscaal regime retroactief vanaf 1 januari 2026. Bovenvermelde forfaitaire kostenaftrek zal vanaf die datum uitsluitend nog gelden voor belastingplichtigen die houder zijn van een kunstwerkattest “gewoon” of “plus”.  Daarnaast zal de kostenaftrek enkel maar toegepast kunnen worden op de auteursrechten die zij ontvangen voor activiteiten die gedekt worden door het attest. Ontvangt de belastingplichtige ook auteursrechten die betrekking hebben op een niet-erkende activiteit, zal de forfaitaire kostenaftrek niet op de niet-erkende activiteit kunnen worden toegepast. Houders van een kunstwerkattest “starter” of belastingplichtigen die niet beschikken over een kunstwerkattest zullen niet langer de forfaitaire kostenaftrek kunnen toepassen. Zij kunnen echter steeds wel hun werkelijke kosten gaan bewijzen.

    Bovenvermelde wijzigingen gaan in vanaf 1 januari 2026 en geldt voor alle inkomsten die vanaf die datum worden betaald of toegekend.
    Voor de inhouding van roerende voorheffing daarentegen geldt wel een overgangsregeling, waarbij de nieuwe beperkingen pas van toepassing zijn vanaf de tiende dag na publicatie van de Programmawet in het Staatsblad.
     
    Tot dan blijft de huidige berekeningswijze van de roerende voorheffing van toepassing.

Tenslotte zal de belastingregeling voor auteursrechten worden uitgebreid naar computerprogramma's, die opnieuw in aanmerking komen voor deze regeling. Echter zullen zij niet geen toepassing kunnen maken van de forfaitaire kostenaftrek aangezien zij niet over een kunstwerkattest zullen beschikken.

De uitbreiding naar de IT-sector is niet voorzien in de programmawet, maar wel in het wetsvoorstel tot hervorming van de personenbelasting. Het is dus nog even wachten tot dat dit voorstel gestemd en gepubliceerd is in het Belgisch Staatsblad.

  • Afschaffing van de federale interestaftrek voor zowel toekomstige als reeds bestaande schulden voor een ander onroerend goed dan de eigen woning per 1 januari 2025.
  • Ook volgende reeds oudere stelsels in het kader van woningfiscaliteit worden afgeschaft: 
    • Federale vermindering voor bijkomende intresten voor een andere dan de eigen woning 
    • Federale woonbonus (voor een andere dan de eigen woning) 
    • Verhoogde vermindering federale bouwsparen  
    • Bijkomende vermindering die kan gelden in geval van een gemeenschappelijke aanslag voor contracten van voor 1 januari 1989 
    • Vermindering voor interesten van groene leningen  
    • Vermindering voor energiezuinige woningen  

Om er voor te zorgen dat de werkende belastingplichtige netto meer overhoudt, worden volgende aanpassingen doorgevoerd:

  • Maaltijdcheques
    • Om de netto koopkracht van werknemers te verhogen wordt de maximumbijdrage van de werkgever in de maaltijdcheque opgetrokken van 6,91 EUR naar 8,91 EUR. 
    • Enkel wanneer een werkgever ervoor kiest om de bijdrage te verhogen tot 8,91 EUR, zal het fiscaal aftrekbaar bedrag verdubbeld worden naar 4 EUR per maaltijdcheque. 
    • Deze nieuwe bedragen zijn van toepassing op maaltijdcheques toegekend vanaf 1 januari 2026

 

  • Fiscale werkbonus  
    • Werknemers die een laag loon hebben, krijgen een korting op hun sociale zekerheidsbijdrage via de werkbonus. De werkbonus verhoogt onrechtstreeks het belastbaar beroepsinkomen, echter wordt dit gecompenseerd door een belastingvermindering via de fiscale werkbonus.
    • Werknemers met een laag referte maandloon (brutoloon tussen 2.777,83 EUR en 3.271,48 EUR, loonschijven geldig sinds 1 februari 2025) ) genieten momenteel een vermindering van de bedrijfsvoorheffing van 33,14% berekend over de toegekende sociale werkbonus. De vermindering wordt opgetrokken naar 35% vanaf aanslagjaar 2030.   
    • Werknemers met een zeer laag referte maandloon  (brutoloon lager dan 2.777,83 EUR, loonschijf geldig vanaf 1 februari 2025) genieten momenteel een vermindering van de bedrijfsvoorheffing van 52,54% berekend over de toegekende sociale werkbonus. De vermindering wordt opgetrokken naar 72% vanaf aanslagjaar 2030.  

 

  • Hervorming Bijzondere bijdrage sociale zekerheid (BBSZ)
    • BBSZ wordt momenteel berekend op het gezinsinkomen en wordt gefinancierd deels via de sociale zekerheid (voorfinanciering via inhouding via de payroll) en deels via de aangifte personenbelasting (finale afrekening)
    • Berekening zal per belastingplichtige gebeuren i.p.v. per gezin
    • Maximumbijdrage zal worden gehalveerd
    • Onderste inkomstengrens wordt verhoogd en het toepasselijk percentage dat bij deze schijf hoort wordt verlaagd
    • Voorziene inwerkingtreding: inkomstenjaar 2029
    • Wijzigingen zullen ook doorwerking hebben op de inhoudingen die gebeuren op het loon via de loonverwerking


  • Overwerk
    • Netto-overuren
      • Aantal vrijwillige overuren wordt opgetrokken tot 360 uur op jaarbasis vanaf 1 januari 2026
      • 240 van de vrijwillige overuren kunnen worden vrijgesteld van inkomstenbelasting op voorwaarde dat er geen overwerktoeslag wordt betaald en dat de bezoldigingen voor de vrijgestelde vrijwillige overuren op het aanslagbiljet worden vermelden.
    • Fiscaal voordelige overuren (= overwerk waarvoor een belastingvermindering geldt en/of vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing)
      • Tijdelijke verhoging van 130 tot 180 uren overwerk met overwerktoeslag wordt permanent en is van toepassing op de overuren gepresteerd vanaf 1 januari 2026 en voor alle sectoren
      • Verhoging tot 280 uur voor wegen en spoorwegwerken en 360 uur voor de hotelsector 


  • Belastingkrediet voor eigen middelen voor zelfstandigen
    • Natuurlijke personen die ondernemen (zonder vennootschap) kunnen een belastingkrediet krijgen bij een stijging van het eigen vermogen. Tot voor kort bedroeg het belastingvoordeel 10% met een absoluut maximum van 3.750 EUR. Het belastingvoordeel wordt per 1 januari 2025 opgetrokken naar 20% waarbij het absoluut maximum 7.500 EUR bedraagt.
  • Invoering van een nieuwe aftrekpost voor zelfstandigen vanaf 2027
    • Er zal een belastingaftrek worden ingevoerd voor zelfstandigen, zowel in hun hoofdactiviteit als in een secundaire activiteit, waardoor zij een eerste schijf kunnen aftrekken van hun winst en inkomen (na aftrek van professionele kosten en sociale bijdragen), waarvan het bedrag in 2029 zal worden verhoogd.


  • Bijzonder belastingregime voor ingekomen belastingplichtigen en/of onderzoekers
    • Het regime voor buitenlandse belastingplichtigen zal worden aangepast om internationaal talent aan te trekken en te behouden in België. Volgende drie punten worden aangepast:
      • het aandeel kosten eigen aan de werkgever wordt verhoogd van 30% naar 35% van de bruto bezoldiging,
      • afschaffing van het plafond van 90 000 euro voor de vergoeding van de kosten eigen aan de werkgever, en
      • verlaging van het vereiste minimum brutosalaris van 75.000 EUR naar 70.000 EUR (niet van toepassing voor onderzoekers).
De wijzigingen aan het huidig regime treden in werking vanaf 1 januari 2025. Bijgevolg kunnen ze worden toegepast voor bezoldigingen die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2025.
  
Voor meer informatie, verwijzen we graag naar ons artikel hierover.
 
  • Flexi-jobs
    • De belastingvrijstelling voor niet-gepensioneerden wordt opgetrokken tot EUR 18.000 vanaf inkomstenjaar 2025  (= geïndexeerd bedrag, basisbedrag is EUR 8.955), het bedrag wordt ook jaarlijks geïndexeerd.

  • Bezoldigingen van jonge sporters

    Reeds in 2018 werd de minimumleeftijd voor professionele voetballers verlaagd van 16 jaar naar 15 jaar op voorwaarde dat de eerste twee leerjaren van het secundair onderwijs werden doorlopen (= einde van voltijdse leerplicht)
    • De minimumleeftijd in het WIB voor de toepassing van het afzonderlijk tarief van 16,5% voor een eerste schrijf van bezoldigingen zal ook worden aangepast naar 15 jaar. 
    • Van toepassing op alle bezoldigingen die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2026
    • Afzonderlijk tarief voor gepensioneerden die bijverdienen
      • Gepensioneerden met een volledig loopbaan van 45 jaar of die na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd nog een beroepswerkzaamheid uitoefenen (niet via flexi-job statuut) zullen vanaf 1 januari 2027 slechts 33% belastingen verschuldigd zijn op de inkomsten die zij uit deze activiteit krijgen.
      • Gevolg: de extra inkomsten zullen niet langer samen met de andere inkomsten (o.a. pensioen) belast worden tegen de progressieve belastingtarieven tenzij dit voordeliger zou zijn.
      • Zij zullen in dit geval wel uitgesloten zijn van het overwerkstelsel

  • Leefloon & equivalent leefloon
    • Leefloon en equivalent leefloon dat vanaf 1 januari 2026 wordt toegekend zal aan de personenbelasting onderworpen worden als een vervangingsinkomen zodat er rekening wordt gehouden met alle inkomsten die een belastingplichtige ontvangt bij de toekenning van belastingvoordelen
    • Voor de toepassing van de belastingvermindering voor vervangingsinkomsten en pensioenen zal het (equivalent) leefloon als een afzonderlijke inkomstencategorie worden gezien met een eigen belastingvermindering. De belastingvermindering zal ook verder afgebouwd worden (zie verder on belastingvrije som). 

  • Brutoloonruil
    • Brutoloon mag slechts tot 20% van de jaarlijkse brutoloon omgeruild worden naar voordelen van alle aard die forfaitair gewaardeerd worden.

    • Bij overschrijding, dient er een onderscheid gemaakt te worden tussen:

      • Werknemers + bestuurders van verenigingen belast in rechtspersonenbelasting: afzonderlijke heffing van 7,5% voor bovenmatige voordelen toegekend aan de werknemers ten laste van de werkgever, welke niet aftrekbaar is van de inkosmtenbelasting
      • Bedrijfsleiders: verlies verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting 
    • Berekening dient per categorie te gebeuren
    • Sociale voordelen dienen voor deze oefening buiten beschouwing gelaten te worden


  • Aftrekbaarheid van autokosten, de volgende wijzigingen zullen worden doorgevoerd:
    • Auto's die uitsluitend op fossiele brandstoffen rijden
      De volgende formule geldt voor alle autokosten die alleen op brandstof rijden: : 120% - (0,5% x 1 (diesel) of 0,95 (andere auto's) x CO2-uitstoot), dus mét coëfficiënt van 0,95 of 1
      Datum van aankoop, lease of huurFiscale aftrekGrens
      Tot 01-07-2023 ("grandfathering")Gramformule met coëfficiënt, volledige duurMaximaal 100% en minimaal 50% van 40% als de uitstoot ≥ 200 g of onbekend
      Tussen 01/07/2023 en 31/12/2025 ("uitfaseringsscenario")Gramformule met coëfficiënt, volledige duurTaxatiejaar 2026 (belastbaar vanaf 01-01-2025): maximaal 75%, geen minimum
      Taxatiejaar 2027 (belastbaar vanaf 01-01-2026): maximaal 50%, geen minimum
      Taxatiejaar 2028 (belastbaar vanaf 01-01-2027): maximaal 25%, geen minimum
      Taxatiejaar 2029 (belastbaar vanaf 01/01/2028): 0%
      Vanaf 01-01-20260%Niet van toepassing
      • Aankoop, huur of lease vóór 1 januari 2018: minimaal 75% aftrekbaar, maar vanaf het belastingjaar 2027 wordt de 75% per jaar met 5% verlaagd tot een nieuw minimum van 50% in het belastingjaar 2031:

    • Voor hybride auto's moeten de kosten worden verdeeld in drie categorieën:
        • Brandstofkosten (diesel – benzine)
          • Hybride voertuigen gekocht/geleased/gehuurd tussen 1 juli 2023 en 31 december 2025: aftrek beperkt tot 50% voor belastingjaar 2027, daarna verder beperkt tot 25% in het belastingjaar 2028, en uiteindelijk verlaagd tot 0% vanaf het belastingjaar 2029
          • Hybride voertuigen gekocht/geleased/gehuurd vanaf 1 januari 2026: brandstofkosten niet langer fiscaal aftrekbaar
        • Kosten van elektriciteit:
          • Voertuigen gekocht/geleased/verhuurd vóór 1 januari 2027: 100% aftrekbaar
          • Het vaste percentage van 100% zal in de loop der jaren worden verlaagd. Meer specifiek leidt dit tot een vermindering tot 95% voor auto's gekocht in 2027; 90% voor auto's gekocht in 2028; 82,5% voor auto's gekocht in 2029; 75% voor auto's gekocht in 2030 en 67,5% voor auto's die vanaf 2031 zijn gekocht.
        • Andere kosten:
          • Aftrekposten worden bepaald volgens de volgende formule: 120% – (0,5% * CO2-uitstoot) en kunnen maximaal 75% aan inkomstenbelasting voor hybride voertuigen die tot eind 2027 worden gekocht, geleased of gehuurd, tenzij het voertuig maximaal 50 gram CO2 uitstoot.. In dit geval is een aftrek van 100% mogelijk voor de gehele levensduur van de auto als deze in 2026 wordt gekocht, gehuurd of geleased. Als dit in 2027 is, is een aftrek tot 95% nog steeds mogelijk. Het aftrekpercentage wordt dan geleidelijk verlaagd, afhankelijk van het jaar waarin de auto is gekocht. De aftrek zal vervolgens op degressieve basis worden verlaagd, afhankelijk van het jaar waarin het is gekocht, geleased of gehuurd, namelijk: 65% in 2028, 57,5% in 2029 en 0% vanaf 1 januari 2030. 

            Voor de volledig elektrische auto's zijn er geen wijzigingen aangekondigd.
  • De volgende maatregelen zijn ook opgenomen in het coalitieakkoord, maar zijn nog niet in de wet opgenomen:
    • Vereenvoudiging en harmonisatie van bestaande collectieve bonussystemen (CLA 90, winstbonus, enz.).
    • Mobiliteitsbudget
      • Het bestaande mobiliteitsbudget zal worden hervormd tot een mobiliteitsbudget voor iedereen en zal de bestaande werkgeversondersteuningsregelingen voor woon-werkverkeer en privéreizen vervangen.
    • Kosten die voor de werkgever zijn
      • Er zou zo snel mogelijk een kader voor de eigen kosten van werkgevers worden ingevoerd.
    • Pensioenopbouw van de tweede pijler voor zelfstandigen
      • De verschillende tweede-pijler-regelingen voor zelfstandigen zullen worden geharmoniseerd en vereenvoudigd. De 80%-regel zal ook worden hervormd.
  • Algemeen
    • De belastingvrije som zal gespreid over 4 aanslagjaren (2027 tot en met 2030) worden opgetrokken.
    • Het basisbedrag zal verhoogd worden van 4.785 EUR tot 6.230 EUR, dit bedrag dient uiteraard nog geïndexeerd te worden.
    • Het is de intentie van de regering dat de belastingvrije som na indexatie 15.300 EUR bedraagt voor het aanslagjaar 2030. 

  • Toeslagen op de belastingvrije som
    • Huidig regime voor kinderen ten laste: naargelang het aantal kinderen ten laste stijgt het bedrag van de toeslag op de belastingvrije som per kind alsook het tarief waartegen de belasting op de toeslagen wordt berekend.
    • Doel: voor elk kind dezelfde toeslag
    • De hervorming zal stelselmatig gebeuren namelijk, de belastingvrije som voor 1 of 2 kinderen ten laste zal in 4 stappen worden verhoogd waardoor het bedrag tegen aanslagjaar 2030 gelijkgetrokken wordt. 
    • Tijdelijke bevriezing van de indexering van alle toeslagen op de belastingvrije som tot en met aanslagjaar 2030 met uitzondering van die wanneer de belastingplichtige gehandicapt is
    • Toeslag voor alleenstaande ouders wordt momenteel toegekend aan feitelijk samenwonende ouders, vanaf aanslagjaar 2030 zal dit enkel nog voor “echte” alleenstaande ouders, zijnde belastingplichtigen van wie het gezin op 1 januari van het aanslagjaar geen andere persoon omvat dan hun kinderen, ascendenten en zijverwanten tot en met de tweede graad, of personen van wie de belastingplichtige als kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest. Het toepassingsgebied wordt gelijkgetrokken met dat van de bijkomende toeslag op de belastingvrije som voor “echte” alleenstaande ouders met een laag activiteitsinkomen.
    • Wanneer de toeslag op de belastingvrije som voor kinderen ten laste niet volledig kan benut doordat de belastingplichtige weinig of geen belasting moet betalen, wordt dit omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet.  
       Vanaf aanslagjaar 2027 worden belastingplichtigen die inkomsten hebben uit een studiebeurs in het kader waarvan ze sociale rechten opbouwen maar niet onderworpen zijn aan de inkomstenbelastingen, worden uitgesloten van de toepassing van dit belastingkrediet. 
    • Belastingplichtigen die een (equivalent) leefloon genieten van wie het totale netto-inkomen ten minste 7.104 EUR bedragen, hebben recht op een minimaal belastingkrediet voor aanslagjaren 2027 tot 2029.

  • Berekening van de belasting op de belastingvrije som
    • Vanaf aanslagjaar 2030 zal de belasting op de belastingvrije som opnieuw worden berekend op basis van hetzelfde tarief als dat van de basisbelasting. De afzonderlijke schijven en tarieven die momenteel van toepassing zijn zullen worden geschrapt.

De drempel voor levensonderhoud die wordt gebruikt om te bepalen of een kind als afhankelijke in aanmerking komt, wordt verhoogd tot €12.000 en is nu uniform over alle categorieën (geïndexeerd voor belastingjaar 2026; basisbedrag €5.265). Doctoraatsbeurzen worden ook overwogen om te bepalen of een kind afhankelijk kan zijn.

Kinderen die professioneel inkomen verdienen dat ouders als zakelijke uitgave aftrekken, kunnen niet als afhankelijk worden beschouwd. Dit is ook het geval dat ze een leefbaar loon zouden verdienen. 

De volgende belastingvoordelen worden afgeschaft vanaf 1 januari 2025 (tenzij anders vermeld):

  • Vermindering voor bezoldigingen voor een huisbediende
  • Vermindering voor uitgaven verricht in het kader van een adoptieprocedure
  • Vermindering voor premies voor een rechtsbijstandsverzekering
  • Vrijstelling van de tussenkomst door de werkgever in de aankooprijs van een computer (afschaffing voor tussenkomsten van de werkgever die worden gedaan na 30 september 2025
  • Bijkomend kostenforfait voor werknemers voor wie de afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling meer bedraagt dan 75 kilometer
  • Vrijstelling van meerwaarden op bedrijfsvoertuigen (afschaffing voor meerwaarden die vanaf 1 september 2025 worden verwezenlijkt)
  • Economische vrijstelling voor bijkomende personeel voor de uitvoer en integrale kwaliteitszorg wordt beperkt tot aanwervingen en betalingen tot 31 augustus 2025
  • Verhoogde kostenaftrek voor stage in onderneming 
  • Economische vrijstelling voor bijkomende personeel met een laag loon wordt opgeheven
  • Belastingvermindering voor minderwaarden geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van een private privak

De bedragen van de volgende belastingverlagingen of -aftrekposten worden bevroren van 2025 tot en met het belastingjaar 2030:

  • Vrijgestelde eerste schrijf inkomsten van:
    • spaardeposito’s
    • dividenden
    • intresten met sociaal oogmerk 
    • bedrag van de leningen via crowdfundingplatform waarvan de interesten zijn vrijgesteld
  • Federale korf voor de belastingvermindering van het federale langetermijnsparen
  • Belastingvermindering voor de verwerving van werkgeversaandelen
  • Belastingvermindering voor giften.
     
    Het was ook de bedoeling om de indexering van de belastingverlaging voor pensioenspaargeld te bevriezen, maar dit wordt uitgesteld tot het aanslagjaar 2027. Daarom gelden de volgende maxima voor het inkomensjaar 2025: 
    • tot 1,050 EUR, wat resulteert in een belastingverlaging van 30%
    • tot 1,350 EUR, wat resulteert in een belastingaftrek van 25%
  • Het maximale bedrag van de woon-werkverkeerskosten (met een ander vervoermiddel dan het door de werkgever georganiseerde openbaar vervoer/openbaar vervoer) dat belastingvrij door de werkgever kan worden vergoed, wordt niet geïndexeerd. 
  • Uiteindelijk werd besloten dat het maximale bedrag van de belastingkrediet voor afhankelijke kinderen niet langer wordt geïndexeerd. Daardoor blijft het krediet beperkt tot EUR 550 per kind

Giften
  • Naast de bevriezing van het maximumbedrag, zal het belastingvoordeel vanaf aanslagjaar 2026 worden verlaagd vanaf 45% naar 30%

Onderhoudsuitkeringen

Momenteel zijn onderhoudsuitkeringen in principe voor 80% aftrekbaar van het netto-inkomen van de onderhoudsplichtige. De aftrekbaarheid zal geleidelijk aan verlaagd worden 

  • naar 70% voor onderhoudsuitkeringen betaald vanaf 1 januari 2025
  • verder naar 60% voor onderhoudsuitkeringen vanaf 1 januari 2026
  • en naar 50% voor onderhoudsuitkeringen vanaf 1 januari 2027

De belastbaarheid van de onderhoudsuitkering die de ontvanger in handen heeft, wordt op dezelfde manier verlaagd. 

Daarnaast zijn onderhoudsuitkeringen aan niet-inwoners van EER-lidstaten of Zwitserland niet langer aftrekbaar en evenmin belastbaar in de belasting van niet-inwoners. 

Voor meer details hierover, verwijzen we graag naar ons artikel hierover.


Belastingvermindering voor pensioenen
  • Door de verhoging van de belastingvrije sommen, wordt de belastingvermindering voor de hoogste pensioenen vanaf aanslagjaar 2027 verlaagd.
  • Afbouwregeling voor de gewone verminderingen voor pensioenen, waarbij de hoogte van het gezamenlijk belastbaar inkomen zal bepalen of er al dan niet nog een vermindering van toepassing zal zijn namelijk:
    • Gezamenlijk belastbaar inkomen ≤ 29.800 EUR (basisbedrag) of 51.560 EUR (geïndexeerd voor 2026) : geen wijziging van de afbouw
    • Gezamenlijk belastbaar inkomen > 36.535 EUR (basisbedrag) of 70.570 EUR (geïndexeerd voor 2026) : geen belastingvermindering
    • Indien gezamenlijk belastbaar inkomen tussen bovenvermelde grenzen ligt: lineaire afbouw van de vermindering tot 0 EUR.

Belastingvermindering voor werkloosheidsuitkering
  • Basisvermindering wordt teruggebracht tot een kwart, terwijl de aanvullende en bijkomende verminderingen volledig worden geschrapt
  • Wordt doorgevoerd vanaf aanslagjaar 2027 tot en met aanslagjaar 2029
  • Verlaagde basisvermindering verdwijnt ook vanaf aanslagjaar 2030
  • Uitzondering voor “echte” alleenstaande ouders, basisvermindering wordt slechts tot de helft teruggebracht
  • Werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag blijven behandeld als “andere vervangingsinkomsten” waardoor de vermindering wel mogelijk blijft
  • De uitzondering voor werkloosheidsuitkeringen met anciënniteitstoeslag wordt vanaf aanslagjaar 2027 ook geschrapt 

 

Huwelijksquotiënt

Gehuwden en wettelijk samenwonenden die een gezamenlijke aangifte indienen kunnen wanneer één van beide partners geen of slechts een zeer beperkt beroepsinkomen heeft toepassing maken van het huwelijksquotiënt. Hierbij wordt voor de belastingberekening een deel (maximaal 30%) van het inkomen van de ene partner overgeheveld naar de andere partner met een absoluut maximum van 13.460 EUR voor aanslagjaar 2026.

Dit gunstregime zal geleidelijk aan worden afgebouwd echter zal er een onderscheid gemaakt worden tussen :

  • Gepensioneerden (beide echtgenoten / wettelijk samenwonenden partners die op 1 januari van het aanslagjaar de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt) : uitdoving van het stelsel, met een volledige opheffing vanaf aanslagjaar 2046. Gedurende deze volledige periode wordt het percentage van 30% behouden, echter wordt het maximumbedrag wel afgebouwd. 
  • Andere belastingplichtigen: halvering van het maximumbedrag gespreid over 4 aanslagjaren namelijk vanaf aanslagjaar 2027 tot 2030. 

Vanaf aanslagjaar 2027 worden de maximumbedragen niet langer geïndexeerd. 

Het mechanisme waarbij de belastingvrije som wordt overgeheveld naar de andere partner blijft wel bestaan. Waardoor de impact van de opheffing van het huwelijksquotiënt beperkt blijft.


Voorafbetalingen
  • Vermeerderingen bij geen of ontoereikende voorafbetalingen:
    • Vanaf aanslagjaar 2027 opgeheven voor winsten- en batenbehalers en voor het inkomen dat wordt toegekend aan hun meewerkende echtgenoten.
    • Blijft wel nog gelden voor bedrijfsleiders
  • Invoer van een 5deperiode:
    • Loopt van 21 december van het inkomstenjaar tot 20 februari van het aanslagjaar
    • Bonificatie van 0,5 maal de basisrentevoet voor belastingplichtigen die winst / baten behalen en hun meewerkende echtgenoot
    • Van toepassing vanaf aanslagjaar 2027, dit betekent dat de eerste 5de periode loopt van 21 december 2026 tot en met 22 februari 2027.
  • Inkorting 1steperiode:
    • Loopt voortaan van 21 februari tot en met 10 april van het inkomstenjaar
    • Geldig vanaf aanslagjaar 2028
  • Uitsluiting bonificatie
    • Geen toepassing van bonificatie voor belasting op winst en baten van zelfstandig helpers en vergoedingen van parlementaire en provincieraadsleden 
    • Geldt vanaf aanslagjaar 2027
  • Opgepast nieuwe regelgeving geldt niet in de vennootschapsbelasting

 

“Minimis”-regeling
  • Toepassingsgebied: opbrengsten uit verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen. Financiële activa vallen hier niet onder. 
  • Onweerlegbaar vermoeden wordt ingevoerd waarbij gesteld wordt dat indien de opbrengsten bruto niet meer bedragen dan 972 EUR per belastingplichtig en per aanslagjaar (=basisbedrag, geïndexeerd voor aanslagjaar 2027: 2.000 EUR), dit verrichtingen betreffen die binnen het normale beheer van privévermogen vallen
  • Indien de opbrengsten de bovengrens overschrijden, is het nog steeds aan de belastingadministratie om het belastbare karakter van de inkomsten aan te tonen om belastingen te kunnen heffen over de opbrengsten die hoger liggen dan 2.000 EUR
  • Vermoeden geldt niet voor verrichtingen die kaderen binnen de uitoefening van een beroepswerkzaamheid
  • Van toepassing vanaf aanslagjaar 2027

Voor meer informatie, verwijzen we graag naar ons artikel over de meerwaardebelasting

Neem contact op met onze experts voor meer informatie