Fiscale Maatregelen: Vennootschapsbelasting

Hieronder vindt u meer gedetailleerde informatie over onderwerpen die verband houden met de Fiscale Maatregelen: Vennootschapsbelasting.

Belangrijke kanttekening: Alleen de onderwerpen die groen gemarkeerd zijn zijn formeel goedgekeurd door de overheid. Alle andere onderwerpen zijn voorstellen en zijn nog niet geformaliseerd. 

 

  1. Algemeen

    Indien dividenden worden ontvangen door Belgische vennootschappen, bestaat de kans op dubbele belasting voor zover deze dividenden bij de uitkerende vennootschap reeds aan vennootschapsbelasting werden onderworpen en in België onder de belastbare inkomsten zouden worden begrepen.  

    Om dit te vermijden werd voorzien in een aftrek voor “definitief belaste inkomsten”, de DBI-aftrek.

    Een vennootschap is slechts gerechtigd tot de DBI-aftrek in zoverre zij in het kapitaal van de toekennende vennootschap een deelneming van ten minste 10% of met een aanschaffingswaarde van ten minste 2.500.000 EUR bezit (participatievoorwaarde).

    Bovendien dient zij deze aandelen in volle eigendom te behouden gedurende een periode van ten minste 1 jaar vanaf de datum waarop de aandelen werden verworven (permanentievoorwaarde).

    In de huidige wetgeving worden de ontvangen dividenden in mindering gebracht van het fiscale resultaat dat nog overblijft na de vorige bewerkingen. De DBI-aftrek zou nu worden omgezet naar een vrijstelling (verhoging van de begintoestand van de reserves in de aangifte vennootschapsbelasting).  

  2. Regeerakkoord

    Het regeerakkoord voorzag in verschillende aanpassingen van de DBI-regeling. Deze omvatten:

    • De DBI-aftrek zou worden omgezet in een echte vrijstelling voor dividenden ontvangen door een vennootschap.
    • De participatiedrempel van 2,5 miljoen euro zou worden verhoogd naar 4 miljoen euro. Deze verhoging zou ook worden gekoppeld aan de eis dat de aandelen de aard van financiële vaste activa hebben. Deze wijzigingen zouden echter alleen van toepassing zijn op grote bedrijven en transacties tussen deze bedrijven.
    • Voor DBI BEVEK's zou een belasting van 5% worden toegepast in geval van een meerwaarde. Bovendien zou de mogelijkheid om de roerende voorheffing van de vennootschapsbelasting af te trekken alleen mogelijk zijn als de vennootschap die de door de DBI BEVEK uitgekeerde dividenden ontvangt, een minimumbezoldiging toekent aan haar bestuurder.
  1. Aankomende en doorgevoerde wijzigingen

    De wet van 18 juli 2025 bevat niet alle bovenstaande aanpassingen.
    • a. DBI-vrijstelling
      De DBI-aftrek wordt omgezet in een vrijstelling. Hierover is nog niets voorzien in de wet.
    • b. Holdingdrempel
      Ten aanzien van de holdingvereiste handhaaft de wet de huidige drempel van 2,5 miljoen euro. Er is geen verhoging van de drempel naar 4 miljoen euro. De nieuwe vereiste om financiële vaste activa te boeken wordt ook ingevoerd, maar deze vereiste zal enkel van toepassing zijn op grote ondernemingen, dus  “kleine ondernemingen” in de zin van artikel 2 van het Wetboek Inkomstenbelastingen zullen worden uitgezonderd.

      Deze voorwaarde van financiële vaste activa zal ook gelden voor de vrijstelling van de roerende voorheffing bedoeld in artikel 264/1 van het Wetboek Inkomstenbelastingen (d.w.z. Tate & Lyle).
      Deze wijzigingen gaan in vanaf het belastingjaar 2026 voor de DBI-aftrek en vanaf 1 juli 2025 voor de roerende voorheffing.

    • c. DBI-beveks 
      • Voor DBI BEVEK’s wordt een afzonderlijke belasting van 5% ingevoerd die geheven zal worden op de meerwaarde gerealiseerd op aandelen of deelbewijzen van beleggingsvennootschappen en vastgoedvennootschappen die onder de DBI-regeling vallen. Dit geldt dus voor BEVEK’s, maar ook voor alle beleggings- en vastgoedvennootschappen die onder een afwijkende belastingregeling vallen, zoals buitenlandse vennootschappen met een soortgelijke afwijkende regeling in hun nationale recht. Het dient opgemerkt te worden dat de uitkering van dividenden niet onder deze nieuwe heffing valt.
      • Bovendien wordt voortaan de verrekening van de roerende voorheffing met de vennootschapsbelasting alleen mogelijk als de vennootschap die de door de DBI BEVEK uitgekeerde dividenden ontvangt, een minimumbezoldiging toekent aan haar bedrijfsleider (zie artikel 215, lid 3, 4° WIB).
      • De DBI-aftrek wordt omgezet in een echte vrijstelling voor dividenden ontvangen door een vennootschap. Hierover is nog niets voorzien in de wet. In de memorie van Toelichting wordt vermeld dat de DBI-aftrek zal worden omgezet in een vrijstelling, zonder verdere details te geven. Er wordt gepreciseerd dat deze omzetting echter pas in een later wetsontwerp zal worden gerealiseerd.

    • d. Groepsbijdrageregeling en DBI-aftrek  
      Om de DBI-regeling in overeenstemming te brengen met de moeder-dochterrichtlijn, wordt in de toepassing van de DBI-aftrek van het jaar toegestaan op het gedeelte van het bedrag van de groepsbijdrage dat het negatieve resultaat overschrijdt dat werd vastgesteld vóór de opname van de groepsbijdrage in de belastbare basis van de betrokken periode.  

Kleine vennootschappen kunnen genieten van een verlaagd tarief van 20% op de eerste schijf van 100.000 EUR, mits wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden. Het deel van de belastbare basis dat 100.000 EUR overschrijdt, wordt aan het basistarief van 25% belast.

Aldus moet de vennootschap onder meer een minimumbezoldiging van 45.000 EUR aan ten minste één bedrijfsleider toekennen. Indien de bezoldiging minder bedraagt dan 45.000 EUR, moet deze bezoldiging ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk minstens gelijk zijn of hoger zijn dan het belastbaar inkomen van de vennootschap.

De minimumbezoldigingsvereiste wordt verhoogd naar 50.000 EUR op jaarbasis, voortaan te indexeren. Bovendien mag de bezoldiging nog maximaal voor 20% uit voordelen alle aard bestaan.

VVPR bis regime/liquidatiereserve

Dividenden uitgekeerd door vennootschappen die 'klein' zijn kunnen onder bepaalde voorwaarden genieten van een verlaagde roerende voorheffing in plaats van het normale tarief van 30%. 

Het gunstregime VVPR-bis is enkel toepasselijk voor nieuwe aandelen die zijn uitgegeven vanaf 1 juli 2013, hetzij bij de oprichting van de vennootschap, hetzij bij een kapitaalverhoging. De aandelen moeten volledig volstort zijn en op naam staan. Behoudens enkele uitzonderingen mogen de aandelen na inbreng niet meer worden overgedragen.

Indien aan al deze voorwaarden wordt voldaan, voorzag de huidige VVPRbis-regeling erin dat dividenden die door kleine vennootschappen werden uitgekeerd, in aanmerking konden komen voor de volgende verlaagde tarieven:
- 20% indien de uitkering plaatsvindt na een wachttijd van 3 jaar, en op voorwaarde dat de inbreng uiterlijk op 31 december 2025 heeft plaatsgevonden (Wet van 18/07/2025, B.S., 29 juli 2025)
-   15% indien het dividend na vier jaar of later wordt uitgekeerd.


Hieronder goedgekeurd bij wet van 30 mei 2026:

Na de goedkeuring van de programmawet van 30 mei 2026 wordt het verlaagde tarief van 15 % verhoogd tot 18 % voor alle uitkeringen die plaatsvinden vanaf de eerste dag van de maand volgend op die van de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad, en dit ongeacht de datum van de inbreng.

Kleine ondernemingen hebben ook de mogelijkheid om hun winst na belastingen toe te wijzen aan een liquidatiereserve. Bij deze toewijzing, die plaatsvindt op de afsluitingsdatum van het boekjaar, is een afzonderlijke heffing van 10% verschuldigd.

Bij de latere uitkering van deze liquidatiereserve is een aanvullende roerende voorheffing verschuldigd, waarvan het tarief voortaan als volgt wordt vastgesteld:
-   Voor reserves die uiterlijk op 30 december 2025 zijn gevormd, bedraagt het tarief 20%, 6,5% of 5% indien de uitkering respectievelijk plaatsvindt vóór het verstrijken van een termijn van 3 jaar, tussen 3 en 5 jaar of na 5 jaar;
-   Voor reserves die vanaf 31 december 2025 worden gevormd, bedraagt het tarief 30 % of 9,8 % indien de uitkering respectievelijk plaatsvindt vóór of na het verstrijken van een termijn van 3 jaar.

Het stelsel inzake de liquidatiereserve is voortaan aangepast om te komen tot een grotere fiscale harmonisatie met de VVPRbis-regeling, zowel wat betreft de minimale wachttermijn om in aanmerking te komen voor het verlaagde tarief, als wat betreft het effectieve tarief van 18 %.

Ten slotte zijn er maatregelen tegen misbruik ingevoerd, met name voor het geval dat binnen 3 jaar na de liquidatie een soortgelijke activiteit als bedrijfsleider van een vennootschap wordt hervat.

De programmawet van 30 mei 2026 voert per 1 januari 2027 een correctiefactor in die van toepassing is op het bedrag van de voorheffing dat een werkgever verschuldigd is op de bezoldigingen en dat niet aan de Staat hoeft te worden doorgestort. Deze correctiefactor heeft tot doel de kosten van de vrijstellingen van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing te beperken door de effecten van de inflatie en de indexering van de bezoldigingen te neutraliseren.

Concreet blijft het percentage van de vrijstelling van toepassing op de betaalde of toegekende bezoldigingen die daarvoor in aanmerking komen, en bij de aangifte van de bedrijfsvoorheffing wordt de correctiefactor toegepast om het bedrag te bepalen dat uiteindelijk aan de Staat moet worden betaald.

De correctiefactor zal 97 % bedragen voor het jaar 2027, 93,35 % voor het jaar 2028 en 95,9 % vanaf 1 januari 2029. 

Vennootschappen die investeren in beleggingsvennootschappen kunnen doorgaans de eventueel verschuldigde roerende voorheffing op dividenden verrekenen in hun aangifte vennootschapsbelasting. Vanaf aanslagjaar 2026 (dus voor elk boekjaar dat afsluit op en vanaf 31 december 2025) wordt hieraan een voorwaarde toegevoegd. Indien deze voorwaarde niet vervuld is, ontstaat er een bijkomende kost van 30% op deze dividenden (ook op de al in 2025 ontvangen dividenden).  

Wat houdt deze voorwaarde in? 

De roerende voorheffing op dividenden waarop de DBI-vrijstelling wordt toegepast en afkomstig zijn beleggingen in o.m. DBI-beveks, vastgoedbevaks, een gereglementeerde vastgoedvennootschap, enz. is niet meer verrekenbaar met de verschuldigde vennootschapsbelasting. 

Uitzondering 

De verrekening blijft mogelijk indien de belastingplichtige tijdens het belastbaar tijdperk waarin de inkomsten worden verkregen, aan minstens één bedrijfsleider de minimale bezoldiging toekent. Dit is dezelfde minimale bedrijfsleiderbezoldiging die kleine vennootschappen moeten toekennen om van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting te kunnen genieten (20% op de eerste €100.000 aan belastbare winst). Momenteel bedraagt dit €45.000 (tenzij het belastbare inkomen van de vennootschap lager ligt, in welk geval het minimaal gelijk moet zijn aan dit lagere bedrag). De regering heeft aangekondigd dit bedrag op te trekken tot €50.000 en jaarlijks te indexeren. 

Ook voor “grote” vennootschappen kan het nu dus van belang zijn om een minimale bedrijfsleiderbezoldiging toe te kennen. 

Belangrijk: wijzigingen aan de afsluitingsdatum van het boekjaar vanaf 3 februari 2025 die niet verantwoord zijn door andere motieven dan het ontwijken van deze bepalingen, blijven zonder uitwerking voor de toepassing van deze maatregel. 

Overgangsperiode voor hybride bedrijfswagens  

Aangezien een elektrisch voertuig niet voor iedereen een optie is, is er een langere overgangsperiode voorzien voor hybride voertuigen.

Deze overgangsperiode heeft echter alleen betrekking op de personenbelasting (zie: “Fiscale maatregelen: Personenbelasting - BDO”).

Bijgevolg blijven de aftrekregels inzake autofiscaliteit, zoals vastgelegd in de wet van 25 november 2021, van toepassing op de vennootschapsbelasting (voor meer details: “Groene mobiliteit: wat zijn de fiscale veranderingen?”).

Er komt de mogelijkheid om bepaalde investeringen, bijvoorbeeld in onderzoek en ontwikkeling, defensie en de energietransitie, versneld af te schrijven.  

Voor grote ondernemingen gaat het om een tijdelijk systeem waarbij 40% van de aanschafwaarde het 1e jaar kan worden afgeschreven.  

Voor KMO’s komt er opnieuw de mogelijkheid om degressief af te schrijven.

Door de groepsbijdrageregeling kan een winstgevende vennootschap (een deel van) haar winst voor fiscale doeleinden overdragen aan een groepsvennootschap die in datzelfde aanslagjaar een verlies realiseerde. De overgedragen winst wordt aangeduid als ‘de groepsbijdrage’. 

Die groepsbijdrage mag de winstgevende (overdragende) vennootschap in mindering brengen van haar belastbaar resultaat, terwijl de verlieslatende (ontvangende) vennootschap de ontvangen groepsbijdrage opneemt in haar belastbaar resultaat. Op die manier betaalt de winstgevende vennootschap minder vennootschapsbelasting terwijl de verlieslatende vennootschap geen of minder verliezen overdraagt naar een volgend boekjaar.

Deze regeling kan enkel worden toegepast mits enkele eerder strenge voorwaarden voldaan zijn. Aldus is o.m. vereist dat er sprake is van een verbondenheid van minstens 90% tussen de overdragende vennootschap en de ontvangende vennootschap gedurende een onafgebroken periode van 5 jaar. In hoofde van de ontvangende vennootschap is het niet mogelijk om de in de belastbare basis opgenomen groepsbijdrage te compenseren met fiscale aftrekken.

De regering zal het stelsel van de groepsbijdrage aantrekkelijker, flexibeler en administratief eenvoudiger maken, door zowel rechtstreekse als onrechtstreekse participaties toe te laten, nieuwe vennootschappen niet langer uit te sluiten en de DBI-aftrek mogelijk te maken van winst die voortkomt uit een groepsbijdrage.

  • De investeringsaftrek wordt onbeperkt overdraagbaar. De aftrekbeperking voor de overdracht van de basisaftrek wordt afgeschaft. In de huidige regeling moeten kleine ondernemingen die de in jaar N opgebouwde aftrek niet kunnen gebruiken, deze verplicht in het volgende jaar (N+1) gebruiken. 
  • Voorts worden de percentages van 30% voor grote ondernemingen en 40% voor kleine ondernemingen geharmoniseerd tot een uniform percentage van 40% voor alle ondernemingen met betrekking tot de categorieën van de verhoogde investeringsaftrek. 
  • Inzake de investeringsaftrek voor onderzoek en ontwikkeling wordt de gewestelijke attestvereiste geschrapt.   
  • Wat betreft de technologische aftrek (vroegere investeringsaftrek voor octrooien en O&O), moeten de belastingplichtigen opnieuw kiezen tussen deze aftrek en het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling (O&O-belastingkrediet). 
    Voor andere investeringen geldt de keuze niet en blijft de investeringsaftrek van toepassing.   
  • Ten slotte wordt het verbod op cumul van de thematische verhoogde aftrek met regionale staatssteun opgeheven.  

Deze wijzigingen zullen samenvallen met de inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2025 om "het naast elkaar bestaan van twee verschillende systemen op basis van vroegtijdige aanpassingen van een quasi nieuw systeem" te voorkomen. De harmonisatie van het tarief van 40 % treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2027. 

Indien bepaalde voorwaarden zijn vervuld, zijn maaltijdcheques in hoofde van de verkrijger vrijgesteld van personenbelasting en is de werkgeversbijdrage ten belope van 2 EUR per cheque fiscaal aftrekbaar.

Aldus mag de tussenkomst van de werkgever in het bedrag van de maaltijdcheque ten hoogste 6,91 EUR per maaltijdcheque bedragen. De tussenkomst van de verkrijgers moet ten minste 1,09 EUR bedragen.

Zowel de wettelijk toegestane maximale tussenkomst van 6,91 EUR als de aftrekbaarheid van de werkgeversbijdrage zal worden verhoogd met twee maal 2 EUR in de komende legislatuur. 

Tevens zal de bestedingsmogelijkheid van de maaltijdcheque worden uitgebreid. 

De andere bestaande cheques (ecocheques, cultuurcheques, ...) worden uitgedoofd.

Opdat de bijdragen tot vorming van aanvullende pensioenen fiscaal aftrekbaar zouden zijn in hoofde van de vennootschap, mogen het wettelijk pensioen en het aanvullend (extralegale) pensioen samen niet meer bedragen dan 80% van de normale brutobezoldiging van het laatste jaar. 

Indien deze grens overschreden wordt, kan de vennootschap het gedeelte van de premie waardoor de 80%-regel overschreden wordt niet als beroepskost in mindering brengen.

Deze 80%-regel zou nu duidelijker worden gedefinieerd. Bovendien zou het niet langer mogelijk zijn om een voorschot te krijgen op een aanvullend pensioen om vastgoedinvesteringen te financieren, tenzij voor de enige eigen woning.

  1. Algemeen

Wanneer een vennootschap haar voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer naar het buitenland verplaatst, wordt deze emigratie fiscaal behandeld als een vereffening. 

Bijgevolg is er vennootschapsbelasting verschuldigd op niet-gerealiseerde meerwaarden en belastingvrije reserves, tenzij er na de zetelverplaatsing een Belgische inrichting overblijft waaraan deze activa worden toegerekend.

Tot op heden, en dit werd meermaals bevestigd door de rulingcommissie, werd deze fictie van vereffening niet beschouwd als een maatregel die gevolgen heeft voor de aandeelhouders van de vennootschap waarvan de zetel wordt verplaatst. Strikt genomen is er geen toewijzing of betaling van inkomsten uit roerende activa aan aandeelhouders, dus is er in principe geen roerende voorheffing verschuldigd.

  1. Regeerakkoord

In dit verband bepaalt het regeerakkoord dat de emigratie van een rechtspersoon fiscaal zal worden behandeld als een fictieve vereffening van de rechtspersoon, met toepassing van de roerende voorheffing. De fictie van vereffening zou dus voortaan ook van toepassing zijn op aandeelhouders.

  1. Wijzigingen door de Wet van 18 juli 2025

De Wet van 18 juli 2025 vult het begrip dividend in die zin aan dat een dividend ook wordt geacht te zijn toegekend aan de aandeelhouders van een vennootschap in geval van zetelverplaatsing of wanneer deze deelneemt aan herstructureringsoperaties (fusie, splitsing, enz.) waarbij activa naar het buitenland worden overgebracht.

Dit fictief dividend stemt overeen met het uitgekeerd dividend bedoeld in artikel 209 van het Wetboek Inkomstenbelastingen, beperkt in verhouding tot de aangehouden aandelen. Dit dividend zal inkomsten uit roerende goederen vormen die belastbaar zijn tegen 30%, tenzij het kan worden vrijgesteld door toepassing van het stelsel van de liquidatiereserves. Voor aandeelhouders -vennootschappen zal de definitief belaste inkomstenaftrek (de zogenaamde DBI-aftrek) van toepassing zijn op het fictieve dividend, indien van toepassing.

Deze wijziging geldt zowel voor aandeelhouders die onderworpen zijn aan personenbelasting , vennootschapsbelasting als voor de aandeelhouders onderworpen aan de rechtspersonenbelasting

Als er echter geen dividend wordt uitgekeerd, kan er geen roerende voorheffing worden ingehouden op het dividend. Het moet dus worden opgenomen in de belastingaangifte van de betrokken belastingplichtigen. Daartoe zullen vennootschappen die activa naar het buitenland overbrengen in het kader van de hierboven vermelde transacties, individuele fiches moeten opstellen (zoniet zullen ze onderworpen zijn aan de afzonderlijke bijdrage bedoeld in artikel 219 van het Wetboek Inkomstenbelastingen).

Het wet bepaalt ook dat, om in overeenstemming te zijn met het Europese recht, een gespreide betaling van de belasting kan worden gevraagd in geval van een overdracht van activa naar een andere lidstaat.

Om dubbele belastingheffing te vermijden wanneer een dividend wordt uitgekeerd door de vennootschap die de activa naar het buitenland overbrengt en wanneer een meerwaarde wordt gerealiseerd op de verkoop van deze activa, wordt ten slotte voorzien in een vrijstelling voor de aandeelhouders.

Deze nieuwe exitheffing zal van toepassing zijn op transacties die plaatsvinden vanaf 29 juli 2025.

De regering zal de regels voor verrekenprijsdocumentatie vereenvoudigen, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen, en beperken tot de essentie. 

De overheid zal bijlage nr. 270 MLH (een bijlage die de huurder van een beroepsmatig gebruikt onroerend goed moet bijvoegen) zo snel mogelijk afschaffen. 

België zal internationale afspraken over een digitale belasting (pijler 1) uitvoeren. Op die manier zullen grote digitale multinationals belastbaar zijn, zelfs als ze geen fysieke aanwezigheid hebben in België. 

Neem contact op met onze expert voor meer informatie